Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Assen), 19 juli 2024
ECLI:NL:RBNNE:2024:2902
Feiten
Sluyter Logistics B.V. (hierna: Sluyter) is een transportonderneming met diverse vestigingen. Sluyter is de vaste transporteur voor Visser Assen B.V. (hierna: Visser). In een vervoersovereenkomst vaste charters staan Sluyter (als opdrachtgever) en de heer X (als vervoerder) als partijen vermeld. De Bruin Verkeersservice B.V. (hierna: De Bruin) heeft bij Visser stalen (verkeersbord)buizen besteld, die vervolgens Sluyter heeft ingeschakeld voor het vervoer van deze buizen. Op 6 maart 2023 heeft X in opdracht van Sluyter met zijn eigen vrachtwagen de buizen naar de locatie van De Bruin gebracht. X heeft bij het lossen hulp gekregen van de heer Y, die op het terrein werkzaam was. Daarbij is gebruikgemaakt van een heftruck van De Bruin. Bij het lossen van de buizen is het fout gegaan en is X bedolven door de losgeraakte rollen buizen, ten gevolge waarvan hij is overleden. De partner van werknemer/erfgename verzoekt een verklaring voor recht dat Sluyter, De Bruin en hun verzekeraars volledig aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en nog in de toekomst te lijden overlijdensschade. Zij stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat tussen Sluyter en X in feite sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Oordeel
De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag die in het kader van deze deelgeschilprocedure beantwoord dient te worden is of een beslissing in het onderhavige geval een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling. Dit is naar het oordeel van de rechtbank hier niet het geval. De rechtbank stelt vast dat partijen op meerdere onderdelen van mening verschillen. Zo verschillen partijen van mening over de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Sluyter en X, dan wel dat X als zzp'er dient te worden beschouwd. Daarnaast verschillen partijen van mening over de feitelijke toedracht van het ongeval, de vraag of X bij het lossen van de vrachtwagen heeft gehandeld op instructie van Sluyter, dan wel op instructie van (de ondergeschikte van) De Bruin en of sprake is van eigen schuld van X. Verder bestaan er vragen over de rol van de ondergeschikte van De Bruin en of deze wel of niet in dienst is bij De Bruin. Ook speelt er een dekkingsgeschil in de verhouding tussen Sluyter en haar verzekeraar, waar de benadeelde in beginsel buiten staat. Op basis van de stukken kan verder worden geconstateerd dat in de verhouding tussen de erfgename en De Bruin en NN de vraag speelt of het ongeval zich al dan niet heeft afgespeeld op de openbare weg. Kortom, het onderhavige geschil is veel te complex om in het kader van een deelgeschilprocedure ter beoordeling voor te leggen. Daarnaast is sprake van een gemotiveerde betwisting door alle verweerders van de door de erfgename gestelde aansprakelijkheid voor het aan X overkomen ongeval, hetgeen ertoe leidt dat er nadere bewijslevering noodzakelijk is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de aard van de (deelgeschillen)procedure zich verzet tegen leveren van nader bewijs. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af. De rechtbank wijst het verzoek om de kosten te begroten en tot veroordeling van betaling van die kosten eveneens af.