Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 14 mei 2024
ECLI:NL:RBOBR:2024:3133
Feiten
Werknemer was sinds 1986 werkzaam voor de Belastingdienst. De laatste jaren was hij werkzaam voor 28 uur per week als behandelfunctionaris van bezwaarzaken, waarbij hij veel achter de computer werkte. Werknemer heeft een chronische oogaandoening (retinitis pigmentosa). Vanwege deze problematiek heeft werknemer zich op 14 mei 2014 ziek gemeld. In 2015 is werknemer hersteld verklaard. Op 2 januari 2018 heeft werknemer zich weer ziek gemeld. In augustus 2018 heeft de arbo-arts een FML opgesteld. Op 10 september 2018 is een arbeidsdeskundige rapportage opgesteld door een arbeidsdeskundige. Hierin wordt onder meer geconcludeerd dat werknemer vanwege zijn beperkingen een productiviteit van circa 60% heeft. Op 3 december 2018 heeft werknemer zich volledig ziek gemeld. Op 11 april 2019 heeft werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. In verband met de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden en is tevens een arbeidsdeskundig rapport opgemaakt. In dit rapport d.d. 6 juni 2019 is onder meer opgenomen dat werknemer niet geschikt is voor maatgevende arbeid, dat geen functies geselecteerd kunnen worden die werknemer zou kunnen verrichten en dat geen verdiencapaciteit vastgesteld kan worden. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 100%. Het UWV heeft met ingang van 20 juni 2019 aan werknemer een IVA-uitkering toegekend. De Belastingdienst heeft, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst bij brief van 27 maart 2020 opgezegd tegen 31 juli 2020. Op verzoek van werknemer heeft een verzekeringsgeneeskundige een actueel medisch oordeel afgegeven. De verzekeringsgeneeskundige heeft werknemer op 11 september 2020 gezien en zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 28 september 2020. Hierin wordt onder meer geconcludeerd dat werknemer ongeveer 20 uur per week kan werken, dat de werkplek optimaal aangepast dient te zijn aan zijn visuele handicap en dat aannemelijk is dat controle van het werk van werknemer door derden nodig is om fouten ten gevolge van de visuele beperking te corrigeren. Uit de rapportage van de arbeidsdeskundige van 9 oktober 2020 volgt dat werknemer, onder de in het rapport beschreven voorwaarden, mogelijk deels geschikt te achten is voor het eigen werk. Werknemer verzoekt primair de Belastingdienst te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen. De kantonrechter heeft in de tussenbeschikking geoordeeld dat op basis van de laatste twee rapporten niet kan worden uitgesloten dat er voor werknemer toch nog benutbare mogelijkheden zijn in aangepast eigen werk. Duidelijkheid over de loonwaarde van de benutbare mogelijkheden is echter wel een vereiste, voordat eventueel kan worden overgegaan tot het herstellen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft het daarom nodig geacht op dit punt een deskundigenbericht in te winnen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de deskundigenrapporten van Schipper en Van der Helm moet ervan worden uitgegaan dat werknemer met de nodige (werkplek)aanpassingen en voorzieningen de functie van bezwaarbehandelaar kan uitoefenen, waarbij het kunnen leveren van een voldoende hoog handelingstempo een knelpunt is. De loonwaarde van het door werknemer laatstelijk (in 2018) verrichte werk moet volgens deskundige Janssen op 9,00% worden gewaardeerd. Nadat alle door Van der Helm geadviseerde aanpassingen en het gebruik van alle geadviseerde voorzieningen zijn doorgevoerd, wordt de loonwaarde door Janssen (globaal en met de nodige voorbehouden) geschat op 27,34 % tot 72,91%, afhankelijk van de kwaliteit die hij in zijn werk kan genereren. Volgens de door het UWV gehanteerde "Beleidsregels Beoordelingskader Poortwachter" is sprake van een redelijk re-integratieresultaat als de werknemer werkzaam is in arbeid waarbij 65% of meer van het oorspronkelijke loon kan worden verdiend. In het licht van deze maatstaf komt werknemer naar het oordeel van de kantonrechter niet voor herplaatsing in zijn oude functie in aanmerking. Hoewel het door Janssen genoemde maximumpercentage van 72,91% uitgaat boven het genoemde percentage van 65%, lijkt het niet reëel om uit te gaan van een kwaliteitspercentage van 100% (waarop het percentage van 72,91 is gebaseerd). Daarbij speelt mee dat er de komende jaren een toename van de beperkingen wordt verwacht. Ook kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de Belastingdienst de kwaliteit van het werk van werknemer in 2018 als matig (en dus zeker niet met 100%) heeft beoordeeld. De slotsom is dat de loonwaarde van de benutbare mogelijkheden van werknemer op minder dan 65% wordt gewaardeerd en dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en herplaatsing in passende arbeid niet mogelijk is. Afwijzing van de verzoeken volgt.