Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 23 augustus 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:8684
Feiten
Werknemer is op 14 september 1987 in dienst getreden bij Gepo Vleeswaren B.V. (hierna: Gepo) als medewerker expeditie. Op 3 mei 2024 heeft werknemer een aantal leverworsten mee naar huis genomen. Op 6 mei 2024 is werknemer op staande voet ontslagen. In de onttslagbrief staat onder meer dat werknemer gezien is met een plastic tas waarin hij worsten heeft gestopt, die hij heeft meegenomen zonder te betalen. Werknemer heeft het meenemen van worsten erkend. Uit een schriftelijke verklaring van een voormalig bedrijfsleider blijkt dat het jarenlang gebruikelijk is geweest dat een krat met worsten op de werkvloer werd neergezet zodat werknemers daar iets van konden meenemen. Dit betrof dan worsten die nog goed waren voor consumptie maar niet meer verkocht konden worden. Een voormalgi assistent-bedrijfsleider heeft verklaard dat het neerzetten van een krat met worsten een gewoonte was bij Gepo. De huidige bedrijfsleider en een leidinggevende hebben in verklaringen aangegeven nooit toestemming te hebben gegeven voor het gratis meenemen van worsten, en voeren aan dat het bij iedereen bekend was dat dit niet mocht. Werknemer verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen. Werknemer voert aan dat er geen dringende reden is omdat hij iets heeft gedaan – het meenemen van worsten – wat normaliter toegestaan is bij Gepo.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft tijdens de comparitie aangegeven over te stappen naar zijn subsidiaire verzoek, onder andere om toekenning van een billijke vergoeding, omdat hij een terugkeer niet meer aankan na alles wat in het verweerschrift over hem is gezegd. De geldigheid van het ontslag op staande voet wordt beoordeeld. Niet is gebleken dat het meenemen van worsten zonder daarvoor te betalen niet was toegestaan. Werknemers mochten op twee manieren worsten mee naar huis nemen: door gebruik te maken van het zogenoemde worstengeld, of door onverkoopbare worsten mee te nemen uit een krat bij de uitgang. Uit verklaringen van (ex)-collega’s blijkt voldoende dat het jarenlang gebruik was dat gratis worsten mochten worden meegenomen en dat deze worsten door werknemer werden geselecteerd. De verklaringen van de bedrijfsleider en leidinggevende zijn daarmee strijdig, maar er is onvoldoende gebleken dat zij op de hoogte waren van de gang van zaken op de werkvloer. Gezien het gebrek aan eenduidig, transparant en voor de werknemers ook kenbaar beleid, kan niet worden vastgesteld dat werknemer in strijd met de regels heeft gehandeld. Gepo heeft er geen blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met de persoonlijke omstandigheden van werknemer, zoals zijn lange en vlekkeloze dienstverband, leeftijd en beperkte kansen op de arbeidsmarkt. De gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding worden toegewezen. Er wordt een billijke vergoeding van bijna € 405.000 gevorderd, gebaseerd op het loon dat werknemer zou hebben verdiend als hij tot zijn pensionering bij Gepo zou hebben gewerkt. Er wordt € 150.000 toegekend. De kantonrechter overweegt dat het niet onaannemelijk is dat werknemer tot zijn pensioen bij Gepo zou blijven werken. De inkomensschade van werknemer wordt echter deels gecompenseerd door de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en de WW-uitkering. Dat werknemer tot zijn penisonering geen andere bron van inkomen kan vinden in een goede arbeidmarkt vindt de kantonrechter niet aannemelijk, en bovendien zou het ook kunnen dat de arbeidsovereenkomst om andere redenen, zoals ziekte, eerder zou zijn geëindigd. De kantonrechter vindt het niet redelijk om de financiële gevolgen van deze risico’s volledig bij Gepo neer te leggen. Wel wordt Gepo, als in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld.