Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 15 oktober 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:6985
Feiten
Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op basis van bedrijfseconomische omstandigheden volgens artikel 7:671b en artikel 7:669 van het Burgerlijk Wetboek. Werkgever stelt dat de functie van werknemer is vervallen door centralisatie van ICT-taken naar Duitsland en een dalende vraag in Europa. Hierdoor is de aanwezigheid van een netwerkbeheerder in Nederland niet langer vereist. Herplaatsing is niet mogelijk, ook niet buiten Nederland, gezien de inkrimping van het internationale ICT-team en de specifieke functie van de werknemer.
Werknemer erkent de verslechterde bedrijfsresultaten en ziet geen herplaatsingsmogelijkheden. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de financiële afwikkeling van het dienstverband, waaronder de transitievergoeding. Werknemer refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter over de ontbinding.
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een opzegtermijn van vier maanden. Partijen verzoeken de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 januari 2025.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever heeft voldoende onderbouwd dat de bedrijfseconomische situatie een wijziging van de bedrijfsvoering rechtvaardigt. Het vervallen van de functie van de werknemer is noodzakelijk voor kostenbesparing. Herplaatsing met scholing is niet mogelijk, en er is geen zicht op een passende functie binnen een redelijke termijn. De kantonrechter ziet een redelijke grond voor ontbinding en beslist tot ontbinding per 1 januari 2025, met inachtneming van de opzegtermijn. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.