Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 24 oktober 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:3321
Werkgever heeft verwijtbaar gehandeld door zich onvoldoende in te spannen om de verhoudingen tussen werkneemster en collega’s te normaliseren. Het hof acht een billijke vergoeding van € 100.000 passend.

Feiten

Bij tussenbeschikking heeft het hof (kort samengevat) geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte is ontbonden en dat werkneemster (in plaats van herstel) recht heeft op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 lid 3 BW. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de hoogte van de billijke vergoeding en iedere verdere beslissing aangehouden. Partijen hebben zich op 14 december 2023, 23 januari 2023, 12 juli 2024 en 29 augustus 2024 schriftelijk en onderbouwd met stukken uitgelaten.

Oordeel

Het hof sluit voor de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding aan bij de gezichtspunten die zijn genoemd in het New Hairstyle-arrest. Meer specifiek verwijst het hof naar het arrest Van der Wekke. Het hof is van oordeel dat werkgever verwijtbaar heeft gehandeld. Kort samengevat had werkgever zich meer moeten inspannen om de verhoudingen tussen werkneemster en de volgens werkgever gekwetste collega’s te normaliseren. Zo had werkneemster van werkgever eerst de gelegenheid moeten krijgen tot gesprek(ken) met die collega’s, in plaats van dat werkgever haar vrijwel meteen na de (eerste) commotie over het boek heeft geschorst. Daarmee had werkgever de verhoudingen - voor zover feitelijk al (enigszins) verstoord - mogelijk kunnen herstellen. Het hof is - de specifieke omstandigheden van werkneemster afwegend - van oordeel dat zij per 1 januari 2026 in staat moet worden geacht weer een soortgelijk inkomen te verdienen. Het hof gaat ervan uit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen zonder ontbinding in elk geval tot die datum zou hebben voortgeduurd en zal bij de bepaling van de waarde van de arbeidsovereenkomst uitgaan van die einddatum. Bij de berekening neemt het hof verder gederfde inkomsten tot 1 januari 2026 en pensioenschade tot die datum mee. Het hof houdt voor de (verdere) bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding geen rekening met een bedrag aan immateriële schade. Werkneemster heeft onvoldoende concreet aangevoerd op grond van welke uitlatingen van werkgever en in welke context gedaan, moet worden aangenomen dat sprake is van een zodanige aantasting in haar eer en goede naam, onder meer als kinderboekenschrijfster, dat dit een immateriële schadevergoeding rechtvaardigt. Ook houdt het hof geen rekening met de door werkneemster verzochte werkelijke juridische kosten, nu zij niet althans onvoldoende heeft gesteld op welke grondslag zij van mening is dat deze kosten aan haar vergoed moeten worden. De transitievergoeding wordt niet in mindering gebracht op de billijke vergoeding. Alles afwegend acht het hof een billijke vergoeding van € 100.000 passend.