Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 29 oktober 2024
ECLI:NL:GHSHE:2024:3374
Feiten
FNV en CNV zijn partij bij de in de bedrijfstak van de Metalektro met de werkgeversorganisatie Federatie Metaal- en Elektrotechnische Industrie (hierna: FME) gesloten cao’s. ASML Netherlands B.V. (hierna: ASML) is als lid van de FME gebonden aan de inhoud van die cao’s. Tussen de bonden enerzijds en ASML anderzijds is een verschil van mening ontstaan over de toepassing van een tweetal cao-bepalingen die zien op het vergoeden van de vakbondscontributie over 2019 door de werkgever. Bepaling A, met als kop ‘Vergoeding vakbondscontributie 2019’, luidt: ‘Werknemers die op 1 januari 2019 lid zijn van een vakvereniging en bij een werkgever in dienst zijn, krijgen de vakbondscontributie over 2019 netto vergoed door de werkgever.’ Bepaling B, met als kop ‘Werkkostenregeling’, luidt: ‘De werknemer die lid is van een vakbond, heeft in 2019 en 2020 het recht om zijn vakbondscontributie te laten onderbrengen in de fiscale vrijstelling van de Werkkostenregeling (WKR) in de onderneming.’ De discussie tussen partijen ziet op de vraag of de werknemers die op 1 januari 2019 lid waren van een vakbond, recht hebben op beide regelingen dan wel dat zij een keuze uit een van die regelingen moe(s)ten maken. De bonden menen dat de twee artikelen naast elkaar moeten worden toegepast. ASML betwist dat. Het tweede geschilpunt ziet op de vraag of ASML wettelijke verhoging en wettelijke rente verschuldigd is omdat zij de eenmalige uitkering die volgens het Principeakkoord op 1 oktober 2021 moest worden betaald pas op 25 oktober 2021 heeft betaald. De kantonrechter heeft in eerste aanleg geoordeeld dat werknemers niet tweemaal recht hebben op vergoeding van de vakbondscontributie. Daarnaast was ASML naar het oordeel van de kantonrechter niet te laat met de betaling van de eenmalige uitkering, zodat zij geen wettelijke verhoging en rente verschuldigd is. In hoger beroep liggen voornoemde geschilpunten opnieuw ter beoordeling voor.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Uitleg cao-bepalingen
Niet in geschil is dat met B vergelijkbare bepalingen reeds in de voorafgaande cao’s 2011/2013, 2013/2015 en 2015/2018 waren opgenomen en dat daarbij toen in beginsel steeds een werkkostenregeling was voorgeschreven en het cafetariamodel is toegepast. Een dergelijk voorschrift bij bepaling B ontbreekt in de cao’s 2018/2020, maar de cao’s 2018/2020 en de bijbehorende toelichting vermelden niets over mogelijk andere voorschriften en toepassingen dan de onder die voorgaande cao’s steeds gebruikelijk voorgeschreven werkkostenregeling en het toegepaste cafetariamodel. Dat met bepaling B in zoverre geen inhoudelijke wijziging werd beoogd, is des te meer aannemelijk omdat de door de bonden voorgestane uitleg voor vele honderden gebonden werkgevers tot wijzigingen in met name de administratie en uitvoeringspraktijk zou leiden. Een dergelijke beoogde wijziging ligt niet voor de hand, nu de cao’s 2018/2020 en de bijbehorende schriftelijke toelichting daarover in het geheel niets vermelden. Ook in de twee opvolgende cao’s is in beginsel steeds een werkkostenregeling afgesproken en het cafetariamodel toegepast.
Niet in geschil is dat naast bepaling B in de cao’s 2018/2020 eenmalig tevens bepaling A is opgenomen. De cao’s 2018/2020 en de bijbehorende toelichting bevatten naar het oordeel van het hof geen enkele aanwijzing dat (een van) de beide bepalingen A en B (mede) strekt tot iets anders dan een vergoeding voor daadwerkelijk betaalde vakbondscontributie. De door de bonden voorgestane uitleg dat de over 2019 betaalde vakbondscontributie meer dan eenmaal zou moeten worden vergoed, is niet te verenigen met de objectief kenbare strekking van de bepalingen A en B dat alleen daadwerkelijk betaalde vakbondscontributie moet worden vergoed. Het hof oordeelt dan ook dat de vorderingen op dit punt van de bonden niet toewijsbaar zijn.
Wettelijke verhoging/rente over eenmalige uitkering
Het hof overweegt dat het door de bonden primair ingeroepen Principeakkoord 2021 niet kwalificeert als een cao in de zin van de Wet CAO en dus de daarbij behorende verbindende kracht voor individuele werkgevers en werknemers ontbeert. Het Principeakkoord 2021 bevat ‘slechts’ beginselafspraken, maar (nog) geen bindende afspraken. Waar de bonden betogen dat ASML in verzuim is geraakt door de eenmalige uitkering in strijd met de cao-bepaling C (cao’s 2020/2022) niet op 1 oktober 2020 maar pas op 25 oktober 2020 uit te betalen aan de sinds 1 december 2020 in dienst gebleven werknemers, kan dat de vordering evenmin dragen. Tussen partijen is niet in geschil dat de cao’s 2020/2022 met de daarin vervatte bepaling C pas in november 2021 met terugwerkende kracht in werking zijn getreden. Dit had tot gevolg dat de eenmalige uitkering achteraf alsnog verschuldigd werd, maar niet dat ASML over de daaraan voorafgaande periode reeds met het betalen ervan in gebreke is geweest. Ook deze vordering van de bonden is niet toewijsbaar.
Het hof bekrachtigt het beroepen vonnis.