Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 7 november 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:18239
Feiten
Werknemer is sinds 3 mei 2004 in dienst bij de ambassade van de Verenigde Staten (hierna: de ambassade) in Den Haag en laatstelijk werkzaam in de functie van 'receiving clerck' tegen een salaris van € 1.197,43 (netto) per twee weken. Werknemer is op 22 september 2022 vanwege klachten veroorzaakt door depressie uitgevallen en is per die datum ziekgemeld. De ambassade heeft haar Arbodienst Zorg van de Zaak ingeschakeld om werknemer te begeleiden. Werknemer heeft geregeld afspraken met de bedrijfsarts van Zorg van de Zaak gehad. Per juli 2023 heeft Guyra International Arbodienst de werkzaamheden van Zorg van de Zaak voor de ambassade overgenomen. Er zijn vervolgens verschillende afspraken geweest met de bedrijfsarts van Guyra International Arbodienst. Op 5 maart 2023 heeft werknemer de bedrijfsarts van Guyra International Arbodienst volgens afspraak bezocht. De ambassade heeft op 21 maart 2024 aan werknemer een zogenoemde letter of non-compliance gestuurd, waarin is vermeld dat de arboarts zich tijdens het bezoek op 5 maart 2024 bedreigd en geïntimideerd heeft gevoeld, waarop de arbodienst heeft besloten de dienstverlening per direct te staken. De ambassade stelt dat er sprake is van een schending van de “Rules of Conduct’. Per 22 maart 2024 heeft de ambassade betaling van salaris aan werknemer gestaakt. Werknemer vordert betaling van het achterstallig salaris, met inbegrip van de daarover verschuldigde vakantietoeslag, de ADV-bonus en de eindejaarsbonus omdat hij van mening is dat er geen goede reden is voor de door de ambassade toegepaste loonstop. Bij verstekvonnis van 29 juli 2024 is de ambassade tot betaling van het gevorderde veroordeeld. De ambassade is bij dagvaarding in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. De ambassade vordert primair dat de toegewezen dwangsom per direct wordt geschorst en het verstekvonnis wordt vernietigd en subsidiair dat zij wordt ontheven van de veroordeling uitgesproken in het verstekvonnis. De ambassade is van oordeel dat de inleidende dagvaarding nietig is en de kantonrechter de ambassade niet had kunnen veroordelen. De ambassade is onredelijk in haar belangen geschaad omdat zij onvoldoende tijd heeft gekregen voor de voorbereiding van haar verdediging. Volgens het internationaal gewoonterecht mogen aan de ambassade geen dwang- of strafmaatregelen worden opgelegd; de dwangsom is dus ten onrechte opgelegd.
Oordeel
De Nederlandse rechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen omdat werknemer zijn arbeid gewoonlijk in Nederland verricht(te). De arbeidsovereenkomst tussen partijen is gesloten vóór 17 december 2009, zodat voor het toepasselijk recht moet worden gekeken naar de regels van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: EVO). Partijen hebben geen geldige rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 EVO gedaan. Contractuele uitsluiting van “local laws and regulations” is nog geen ondubbelzinnige keuze voor ander recht. De Verenigde Staten kennen verschillende rechtsstelsels, zodat een keuze voor “U.S. laws and regulations” nog geen duidelijke en ondubbelzinnige keuze oplevert. Op grond van artikel 6 lid 2 sub a EVO past de kantonrechter Nederlands recht toe. Gelet op artikel 122 lid 1 Rv verwerpt de kantonrechter het beroep op nietigheid van de oorspronkelijke dagvaarding. De ambassade stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter werknemer niet-ontvankelijk moet verklaren omdat een deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW ontbreekt. In kort geding geldt echter geen verplichte inschakeling van een deskundige, het is aan de voorzieningenrechter overgelaten of een deskundigenverklaring gewenst is. De kantonrechter overweegt dat voor een rechtsgeldige loonstop in ieder geval noodzakelijk is dat de werkgever de werknemer voorafgaand waarschuwt en onverwijld de grond van de weigering of opschorting meedeelt. Uit de letter of non-compliance van 21 maart 2024 blijkt niet dat de ambassade enig onderzoek heeft gedaan naar wat er op 5 maart 2024 is gebeurd noch dat werknemer is gehoord over de brieven die de ambassade van Guyra International Arbodienst had ontvangen voordat zij tot de beslissing om de uitbetaling van het loon te staken is gekomen. Deze brief is dan ook geen waarschuwing maar een conclusie. Dat de loonstop een ultieme poging van de ambassade was om werknemer aan te sporen om mee te werken aan zijn re-integratie, zoals de ambassade in de verzet dagvaarding heeft geschreven, vindt geen steun in de overgelegde stukken en volgt ook niet uit hetgeen overigens door de ambassade naar voren is gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat de ambassade ten onrechte een loonstop heeft opgelegd, zodat werknemer recht heeft op het achterstallig salaris vanaf 22 maart 2024.