Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 19 november 2024
ECLI:NL:RBNNE:2024:4550
Feiten
Werknemer is in 1961 in dienst getreden bij werkgever. Werknemer heeft tot 1972 bij werkgever gewerkt. In 1974 is werkgever opgehouden te bestaan. Zwitserleven heeft het pensioencontract van werkgever in 1974 in haar administratie opgenomen. Verder heeft Zwitserleven verklaard dat werknemer niet in haar administratie voorkomt. Werknemer is in 2010 met pensioen gegaan. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat Oak Pensioen, de opvolger van Bedrijfstakpensioenfonds Meubel, de pensioenaanspraken van werknemer moet administreren en moet uitkeren op basis van de aangeleverde loongegevens, en een veroordeling van Oak Pensioen tot het uitkeren met terugwerkende kracht van een levenslange pensioenuitkering. Werknemer voert aan dat hij na het bereiken van de AOW-leeftijd pensioen van Oak Pensioen had moeten ontvangen, omdat de werkzaamheden van zowel werkgever als het bedrijf dat werkgever heeft overgenomen, vielen onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van het Bedrijfspensioenfonds Meubel. Oak Pensioen concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van werknemer. Oak Pensioen heeft naar voren gebracht dat werknemer bij haar geen pensioen heeft opgebouwd. Werkgever was van de verplichtstelling van het bedrijfstakpensioenfonds Meubel vrijgesteld omdat hij een eigen pensioenregeling kende. Werknemer heeft daarom bij een andere pensioenuitvoerder aanspraken opgebouwd, namelijk bij Zwitserleven.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit wet- en regelgeving kan worden afgeleid dat de achtergrond van het aanvragen van een vrijstelling, eruit bestaat dat moet worden getoetst of een bestaande pensioenregeling van een werkgever voldoende dekking biedt in vergelijking met de verplicht gestelde pensioenregeling. De stelling van Oak Pensioen dat uit het enkele feit dat werkgever een eigen pensioenregeling kende, kan worden afgeleid dat een vrijstelling is verleend, wordt daarom niet gevolgd. Volgens Oak Pensioen dateert de vrijstelling van lang geleden waardoor het niet vreemd is dat de vastlegging van de vrijstelling niet meer te traceren is. De kantonrechter volgt Oak Pensioen niet in haar redenering. Het komt voor rekening en risico van Oak Pensioen dat zij niet kan aantonen dat een vrijstelling is aangevraagd en verleend. Oak Pensioen heeft verder aangevoerd dat uit de informatie van Zwitserleven blijkt dat werkgever het pensioencontract bij Zwitserleven heeft ingebracht. Dit is echter niet relevant, omdat het aan Oak Pensioen is om aan te tonen dat een vrijstelling is verleend. Het enkele feit dat Oak Pensioen een eigen regeling kende, is onvoldoende om vast te stellen dat dat het geval is. De kantonrechter concludeert dat werknemer zijn vorderingen voldoende heeft onderbouwd en dat Oak Pensioen haar verweer niet voldoende heeft gemotiveerd. De levenslange pensioenuitkering wordt met terugwerkende kracht toegewezen. Oak Pensioen wordt in de proceskosten veroordeeld.