Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 11 februari 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:841
Feiten
Werkneemster is van 1 augustus 2019 tot en met 1 november 2022 werkzaam geweest bij Taxi Oost Steenwijk B.V. (hierna: Taxi Oost) in de functie van taxichauffeur. De arbeidsovereenkomst van werkneemster is beëindigd met wederzijds goedvinden. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitbetaling van het loon tijdens werkonderbrekingen tussen de ritten en de pauzetijden. Dit geschil is door partijen uitgesloten van de finale kwijting die zij hebben afgesproken in hun vaststellingsovereenkomst. Werkneemster vorderde in eerste aanleg betaling van achterstallig loon (€ 9.750,45 bruto) te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, accountantskosten en proceskosten. Volgens werkneemster heeft Taxi Oost de op haar arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao’s voor wat betreft de werkonderbrekingen en pauzes niet juist nageleefd. Ter vaststelling van de hoogte van haar vordering heeft werkneemster Countus Accountants en Adviseurs B.V. (hierna: Countus) opdracht gegeven om aan de hand van haar rittenstaten en het door Taxi Oost uitbetaalde loon te achterhalen op hoeveel loon zij nog recht heeft. Taxi Oost heeft een beroep gedaan op schending van de klachtplicht en rechtsverwerking. De kantonrechter verwierp deze beroepen en wees de vordering van werkneemster ter zake van het achterstallig loon, de accountantskosten en de buitengerechtelijke kosten toe. De wettelijke verhoging heeft de kantonrechter gematigd tot 20%. Taxi Oost heeft hoger beroep ingesteld. Zij meent allereerst dat de juistheid van haar administratie als uitgangspunt mag worden genomen. Verder meent zij dat de kantonrechter ten onrechte haar beroep op schending van de klachtplicht en op rechtsverwerking heeft afgewezen. Taxi Oost wil dat het hof de uitspraak vernietigt en werkneemster veroordeelt tot terugbetaling.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. Het hof oordeelt, anders dan Taxi Oost stelt, allereerst dat in dit geschil niet van de juistheid van de administratie van Taxi Oost mag worden uitgegaan. Het is immers niet weersproken dat voor werkneemster een rooster gold en werkneemster behalve als chauffeur ook nog werd ingezet voor schoonmaakwerkzaamheden. Alleen al daarom kon Taxi Oost niet volstaan met de stelling dat zij alleen de effectieve rijtijd hoefde te verlonen en dat de cao onderbrekingen toestaat. Taxi Oost heeft in hoger beroep (weinig geordend) rittenstaten overgelegd die werkneemster elke werkdag invulde en inleverde. Op die briefjes is door Taxi Oost opgetekend wat volgens haar de diensttijd die dag was en hoeveel minuten er tussen de genoteerde activiteiten zitten. Die tussenliggende minuten zijn door Taxi Oost opgeteld, als pauze aangemerkt en van de diensttijd afgetrokken. Taxi Oost heeft echter niet gesteld dat zij werkneemster destijds deze gecorrigeerde rittenlijsten of de weekstaten heeft verstrekt. Daar tegenover staat dat werkneemster steeds heeft gesteld dat zij niet kon doen en laten wat zij wilde, omdat zij na afloop van een rit beschikbaar moest blijven om meteen een volgende rit te kunnen uitvoeren als die binnenkwam en dat zij in de tussentijd ook beschikbaar was voor schoonmaakwerk. Het bewijsaanbod van Taxi Oost ‘dat de gecorrigeerde uren terecht in mindering zijn gebracht’ is in het licht van wat hiervoor is overwogen te weinig specifiek. Verder faalt het beroep op de klachtplicht. Taxi Oost heeft daarvoor gesteld dat zij bewijsproblemen heeft, omdat werkneemster pas 2,5 jaar na de aanvang van de arbeidsovereenkomst heeft geklaagd over te weinig ontvangen loon. Echter: als Taxi Oost bij verwerking van de rittenstaten in de weekstaten meteen aan werkneemster duidelijk had gemaakt dat en waarom zij wel door werkneemster opgegeven minuten/uren niet wilde uitbetalen, dan was haar bewijsprobleem niet ontstaan. Wel stelt het hof de omvang van de loonvordering anders vast dan de kantonrechter. Taxi Oost heeft in hoger beroep haar eigen administratie bekeken en geconstateerd dat tussen haar administratie en de administratie van werkneemster een verschil van 14,99 uur in het nadeel van werkneemster bestaat. Werkneemster heeft haar eis in de memorie van antwoord voorwaardelijk gewijzigd door akkoord te gaan met dit verschil, tegen het hoogste uurloon, ter voorkoming van verdere discussie. De voorwaarde is dat het hof meent dat Taxi Oost het door werkneemster berekende aantal uren afdoende heeft weersproken. Deze voorwaarde is vervuld door het overzicht dat Taxi Oost heeft ingebracht. Taxi Oost heeft er daarnaast ook terecht op gewezen dat enkele van de weggestreepte uren buiten de periode vallen tot welke datum werkneemster haar vordering heeft beperkt. Daarom zal het hof nog 11,83 uren aftrekken. Op het oorspronkelijk door werkneemster gevorderde bedrag van € 9.750,45 bruto strekt dan in mindering € 368,15 bruto, zodat in hoofdsom resteert € 9.382,30 bruto. Er is geen reden voor verdere matiging van de wettelijke verhoging of afwijzing van de andere kosten.