Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 30 oktober 2024
ECLI:NL:RBOBR:2024:5170
Door de arbeidsovereenkomst niet te verlengen heeft werkgever niet in strijd gehandeld met de Wgbh/cz, omdat werkneemster onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een chronische ziekte of handicap.

Feiten

Werkneemster is met ingang van 1 mei 2023 in dienst getreden bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zeven maanden in de functie van uitvaartverzorgster. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 december 2023 verlengd met een periode van acht maanden, namelijk tot 31 juli 2024. Op 25 april 2024 is werkneemster een arbeids- c.q. verkeersongeval overkomen. Sindsdien is zij arbeidsongeschikt. Op 6 mei 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij aan werkneemster kenbaar is gemaakt dat haar arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Bij e-mail van 7 mei is dit aan werkneemster bevestigd. Hierin is opgenomen dat de reden hiervoor is dat "we onvoldoende vertrouwen hebben in dat jij invulling gaat geven aan de functie van uitvaartverzorger zoals wij voor ogen hebben. Helaas hebben we ook geen vertrouwen dat jij hieraan kunt gaan voldoen, daar je afspraken en initiatief om jezelf te ontwikkelen eerder niet hebt opgevolgd." In de e-mail wordt tevens het volgende opgemerkt: "We willen benadrukken dat het ongeluk en de rijontzegging die je op medische gronden is opgelegd, hier volledig van losstaan." Werkneemster verzoekt de kantonrechter om haar ten laste van werkgever een billijke vergoeding toe te kennen, omdat het niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd vanwege haar handicap of chronische ziekte. Om te spreken van een  handicap of chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz is vereist dat het letsel onomkeerbaar (handicap) of langdurig (chronische ziekte) van aard is, waarbij de (on)mogelijkheid van herstel een essentieel element is. Aaangezien werkneemster zich beroept op de rechtsgevolgen van de Wghb/cz, is het aan haar om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat er sprake is van een handicap of chronische ziekte. Werkneemster heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een handicap of chronische ziekte in de zin van artikel 4 Wghb/cz. Op basis van de overgelegde (medische) gegevens kan niet de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een langdurige of onomkeerbare lichamelijke aandoening. Het oordeel van een arts dat daarvan sprake is of zou kunnen zijn, ontbreekt. Het enkele feit dat werkneemster last heeft van fysieke/mentale klachten, zij daar op dit moment voor wordt behandeld en dat het nog onzeker is hoe deze klachten zich in de toekomst zullen ontwikkelen, is onvoldoende om deze (niet nader geduide) klachten te kunnen kwalificeren als handicap of chronische ziekte. De conclusie is dat de kantonrechter onvoldoende medische informatie heeft gekregen om een handicap of chronische ziekte vast te stellen. Werkgever heeft door de arbeidsovereenkomst met werkneemster niet te verlengen niet in strijd gehandeld met de Wgbh/cz.