Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/gedaagden
Rechtbank Rotterdam, 20 maart 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:3461
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor achterstallig loon. Een beroep op verrekening met een vermeende studiekostenlening slaagt niet. Finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.

Feiten

Werknemer is op 5 februari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde duur van 7 maanden in dienst getreden bij gedaagde 1 in de functie van vrachtwagenchauffeur tegen een loon van € 3.068,25 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Voorafgaand aan zijn indiensttreding heeft hij bij Don Opleidingen een cursus gevolgd. De kosten van deze cursus zijn door gedaagde 1 aan Don Opleidingen betaald. Partijen hebben op 23 mei 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 30 juni 2024 is geëindigd. In de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat tot de einddatum vrijstelling van arbeid zou worden geboden en dat werknemer tot aan die datum aanspraak op loon behield. Gedaagde 1 heeft een bedrag van € 1.183,83 netto aan loon onbetaald gelaten. Werknemer eist in deze procedure (hoofdelijke) veroordeling van drie gedaagden tot betaling van een bedrag van € 1.183,83 netto aan loon. Gedaagden stellen dat werknemer de cursus bij Don Opleidingen nodig had om bij gedaagde 1 in dienst te kunnen treden. Omdat werknemer niet kapitaalkrachtig was, zijn partijen overeengekomen dat gedaagde 1 de studiekosten zou voorschieten en dat ter zake daarvan een lening aan werknemer zou worden verstrekt. Wanneer werknemer meer kapitaalkrachtig zou zijn, zouden de studiekosten worden verrekend met het loon. Gedaagden zijn dan ook van mening dat zij de studiekosten mochten verrekenen met de eindafrekening.

Oordeel

De kantonrechter is van oordeel dat aan gedaagden geen beroep op verrekening toe komt en dat zij (hoofdelijk) gehouden zijn om (het bruto-equivalent van) het bedrag van € 1.183,83 netto aan werknemer te betalen, omdat niet is komen vast te staan dat gedaagde 1 en werknemer ter zake van de studiekosten een lening met elkaar zijn aangegaan.  Evenmin is komen vast te staan dat is afgesproken dat de studiekosten op een later moment verrekend zouden mogen worden met het loon. Daarbij komt dat ook in de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst niets staat vermeld over de verschuldigdheid van studiekosten en de verrekening daarvan. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt juist dat partijen elkaar, na effectuering van hetgeen in die overeenkomst is bepaald, over en weer finale kwijting verlenen. Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord ook nog gevraagd om het door gedaagde 1 betaalde loon van drie maanden terug te laten betalen omdat werknemer volgens hen zelf ontslag zou hebben genomen. Voor zover gedaagden hiermee al hebben bedoeld een tegenvordering in te stellen, begrijpt de kantonrechter uit hetgeen gedaagden ter zitting naar voren hebben gebracht dat zij deze tegenvordering weer hebben ingetrokken. Gedaagden hebben erkend dat zij de vaststellingsovereenkomst, waaruit de verplichting tot doorbetaling van het loon voortvloeit, hebben ondertekend.