Rechtspraak
Feiten
Werknemer is sinds begin juli 2024 in dienst getreden bij werkgeefster, een transportonderneming. Hij werkte meer dan fulltime en verbleef doordeweeks in de vrachtwagen en in de weekenden soms in een woning van de eigenaar van werkgeefster. Zijn loon werd deels contant en deels giraal betaald. Medio oktober 2024 is de vrouw van werknemer, die nog in Italië woonde en ernstig ziek is, naar Nederland gekomen. Zij verbleef vanaf die tijd ook in de vrachtwagen waarmee werknemer reed. Op 21 oktober 2024 is werknemer tijdens zijn werkzaamheden door de politie gecontroleerd. De politie heeft geconstateerd dat hij niet over de juiste papieren beschikte om te mogen werken. Werknemer heeft de eigenaar hiervan direct op de hoogte gesteld. Die heeft hem toen gezegd dat hij moest blijven doorrijden. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft op 1 november 2024 een boete opgelegd van € 1.009 omdat werknemer niet over een geldig getuigschrift beschikte. Werknemer heeft tot en met 8 november 2024 voor werkgeefster gewerkt. Op 9 november 2024, toen werknemer met zijn vrouw in de vrachtwagen verbleef, heeft de eigenaar hem gebeld om te zeggen dat een andere chauffeur voortaan met de vrachtwagen zou rijden en dat werknemer en zijn vrouw de vrachtwagen moesten verlaten. Dat hebben werknemer en zijn vrouw na overleg met de politie uiteindelijk ook gedaan. Werknemer heeft eind december 2024 schriftelijk tegen het ontslag geprotesteerd. Werkgeefster heeft in reactie hierop in een e-mail van 2 januari 2025 erkend dat werknemer werkzaamheden voor haar heeft verricht en dat er geen mogelijkheid was om een arbeidsovereenkomst te formaliseren omdat werknemer geen geldige code 95 had en daarom niet in Nederland mocht werken. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd en dat hem diverse vergoedingen toekomen. Werkgeefster betwist dat er een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat zij daarover nog in gesprek waren toen werknemer werd ontslagen.
Oordeel
Bevoegdheid en toepasselijk recht
Deze zaak heeft internationale aspecten omdat werknemer in Italië woont. Omdat werkgeefster in Nederland is gevestigd is de kantonrechter op grond van artikel 21 van de EEX-Verordening bevoegd. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een rechtskeuze gedaan voor Nederlands recht als bedoeld in artikel 3 van de Rome I-Verordening. De zaak wordt op basis van Nederlands recht beoordeeld.
Er is sprake van een arbeidsovereenkomst
De kantonrechter is van oordeel dat er vanaf 1 juli 2024 tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Partijen zijn het er immers over eens dat zij hebben afgesproken dat werknemer vanaf begin juli 2024 transportwerkzaamheden zou verrichten en dat werkgeefster hem daarvoor elke maand salaris zou betalen. Partijen hebben niet gesteld dat zij met begin juli 2024 een latere datum dan 1 juli 2024 bedoelden, zodat de kantonrechter van deze datum uitgaat. Partijen zijn het er ook over eens dat werknemer tot en met 8 november 2024 (meer dan) fulltime voor werkgeefster heeft gewerkt. Op grond van artikel 7:610a BW geldt daarom het rechtsvermoeden dat dit op basis van een arbeidsovereenkomst is gebeurd. De kantonrechter ziet in wat werkgeefster heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen. Er bestaat weliswaar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst, maar een arbeidsovereenkomst kan ook mondeling tot stand komen. De omstandigheid dat de politie in oktober 2024 heeft geconstateerd dat werknemer niet de juiste papieren had om in Nederland te mogen werken, maakt ook niet dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig omdat het niet onverwijld is gegeven. Werknemer heeft zijn verzoeken binnen de vervaltermijn tijdig ingediend. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.