Naar boven ↑

Rechtspraak

Booking.com/Stichting Pensioenfonds PGB
Hoge Raad, 21 maart 2025
ECLI:NL:HR:2025:423
De verjaring van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie wordt beheerst door artikel 3:308 BW. Opeisbaarheid wordt bepaald door artikel 26 Pw.

Feiten

Booking.com is in 1996 als Nederlandse IT-start-up opgericht en houdt zich blijkens de bedrijfsomschrijving in het handelsregister bezig met webportals, financiële holdings en het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software en het ontwikkelen en exploiteren van een (mobiele) website en app (inclusief bijkomende activiteiten op het gebied van informatietechnologie) en holdingactiviteiten. De medewerkers van Booking.com hebben voor het overgrote deel een technische (IT) achtergrond. De omzet van Booking.com wordt grotendeels gegenereerd uit de boekingen van accommodaties via haar website. In deze procedure vordert PGB, voor zover in cassatie nog van belang, een verklaring voor recht dat Booking.com verplicht is deel te nemen aan PGB en dat de verplichtstelling gold met ingang van 1 januari 1999 (subsidiair vanaf de datum die de rechter in goede justitie bepaalt) voor deelname aan Bpf Reisbranche, en sinds 1 januari 2021 aan PGB. De Hoge Raad (AR 2025-0429) heeft geoordeeld dat Booking.com een ‘(online) reisagent’ is zoals bedoeld in het verplichtstellingsbesluit, en dat na verwijzing de overige verweren van Booking.com tegen de vordering aan de orde kunnen komen. In de procedure na cassatie en verwijzing heeft het hof de overige verweren van Booking.com verworpen en het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Het hof heeft, kort samengevat, voor recht verklaard dat Booking.com verplicht is deel te nemen aan PGB en heeft voorts bepaald dat de verplichtstelling gold met ingang van 1 januari 1999 voor deelname aan Bpf Reisbranche, en sinds 1 januari 2021 aan PGB.  Tegen dit oordeel keert Booking.com zich in cassatie.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. 

De verjaring van een vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van premie wordt beheerst door artikel 3:308 BW. Opeisbaarheid wordt bepaald door artikel 26 Pw

De premie is de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor pensioen en de daaraan verbonden kosten (art. 1 Pensioenwet; hierna: Pw). Indien de werkgever aan de voorwaarden voldoet voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds, ontstaat per periode waarover de premie verschuldigd is, van rechtswege een vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van deze premie. 

Over de premiebetaling door de werkgever aan de pensioenuitvoerder bepaalt artikel 26 Pw: “In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een werkgever voldoet de werkgeverspremie en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie aan de pensioenuitvoerder uiterlijk binnen: 1°. twee maanden na afloop van elke maand waarover de premie verschuldigd is indien de pensioenuitvoerder op basis van actuele loonsomgegevens zijn administratie voert; of 2°. een maand na afloop van elk kwartaal waarover de premie verschuldigd is;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een kwartaal wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn ten hoogste gelijk aan een jaar en voldoet de werkgever uiterlijk binnen een maand na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van de door hem op basis van zijn eigen bijdrage verschuldigde jaarpremie op basis van een schatting van de pensioenuitvoerder en de op het loon van de werknemer ingehouden werknemerspremie, aan de pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie, bestaande uit de werkgeverspremie en de werknemerspremies, wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.”

Het bepaalde in artikel 26 Pw geldt ook indien (i) sprake is van uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds, (ii) de werkgever gehouden is, of zich verbonden heeft door lid te zijn van een werkgeversvereniging, tot naleving van de statuten en reglementen van dit bedrijfstakpensioenfonds, en (iii) het bedrijfstakpensioenfonds een uitvoeringsreglement heeft opgesteld dat voldoet aan de eisen die in artikel 25 Pw ten aanzien van de uitvoeringsovereenkomst zijn gesteld (art. 23 lid 2 Pw in verbinding met art. 25 lid 1, aanhef en onder b, Pw).

In de memorie van toelichting is over art. 26 Pw onder meer het volgende opgemerkt: “In de praktijk is het met name bij verzekeraars gebruikelijk om de premie vooraf in rekening te brengen en wordt vervolgens na afloop van het kalenderjaar een definitieve afrekening gemaakt. Mits die afrekening binnen een termijn van zes maanden wordt gerealiseerd bestaat daartegen op grond van dit artikel geen bezwaar. Uiteraard kunnen pensioenuitvoerders afspreken dat de betaling van de premie vooraf of binnen een kortere termijn plaatsvindt dan op basis van dit artikel genoemde termijnen. De bedoeling van dit artikel is het voorkomen van een te lang uitstel van de betaling van de premie.”
Hieruit volgt dat in de uitvoeringsovereenkomst of, in voorkomend geval, het uitvoeringsreglement van een bedrijfstakpensioenfonds, geen langere termijnen voor de betaling van de premie kunnen worden opgenomen dan in artikel 26 Pw zijn vermeld. Gelet hierop kan evenmin in de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement worden bepaald dat een vordering tot betaling van de premie pas opeisbaar is op een later tijdstip dan het uiterste tijdstip van betaling van de premie, bedoeld in artikel 26 Pw.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is op het tijdstip van betaling dat in het uitvoeringsreglement (binnen de door art. 26 Pw gestelde grenzen) voor die vordering is bepaald. Indien dat tijdstip afhankelijk is gesteld van een handeling van de pensioenuitvoerder, zoals het verzenden van een premienota, en die handeling achterwege is gebleven, wordt de vordering voor de toepassing van artikel 3:308 BW geacht opeisbaar te zijn geworden op het uiterste tijdstip van betaling van de premie, bedoeld in artikel 26 Pw.

De verjaringstermijn van artikel 3:308 BW vangt aan op de dag, volgende op die waarop de vordering van het bedrijfstakpensioenfonds op de werkgever tot betaling van de premie over een bepaalde periode opeisbaar is geworden of geacht wordt opeisbaar te zijn geworden overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen.

Verlenging verjaringstermijn bij opzettelijk verborgen houden door werkgever

Opmerking verdient dat de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW ingevolge artikel 3:320 BW in verbinding met artikel 3:321 aanhef en onder f BW wordt verlengd indien – kort gezegd – de werkgever opzettelijk het bestaan van de premievordering of de opeisbaarheid daarvan voor het bedrijfstakpensioenfonds verborgen heeft gehouden. Ook kan onder omstandigheden een beroep van de werkgever op de verjaringstermijn van artikel 3:308 BW jegens het bedrijfstakpensioenfonds naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:2 lid 2 BW).