Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 maart 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:1145
Feiten
Werkneemster is op 1 januari 2017 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie ‘hoofd administratie’. Eind september 2023 ontdekte werkgeefster onregelmatigheden in de boekhouding. Werkgeefster heeft geprobeerd met werkneemster hierover in gesprek te gaan, maar dat is niet gelukt. Werkneemster heeft zich op 9 oktober 2023 ziek gemeld. Per e-mailbericht van 31 oktober 2023 heeft werkneemster haar arbeidsovereenkomst met werkgeefster opgezegd met ingang van 1 december 2023. Ook na de opzegging van haar arbeidsovereenkomst is het werkgeefster niet gelukt om in gesprek te gaan met werkneemster over de door werkgeefster geconstateerde onregelmatigheden, ondanks de verschillende pogingen hiertoe van werkgeefster. Omdat uit het voorlopig onderzoek van werkgeefster volgde dat werkneemster nog bedragen aan werkgeefster verschuldigd zou zijn, heeft werkgeefster op 30 november 2023 een eindafrekening opgesteld en hierbij een bedrag van € 5.796,90 netto verrekend. In de periode van oktober 2023 tot en met juni 2024 heeft werkgeefster uitgebreid onderzoek gedaan, waarbij zij heeft begroot dat werkgeefster door onrechtmatige onttrekkingen door werkneemster, schade heeft geleden van € 61.710,41, waarop het verrekende bedrag van € 5.796,90 netto in mindering strekt. Per brief van 6 september 2024 is werkneemster aansprakelijk gesteld. In deze procedure vordert werkgeefster in conventie betaling. In reconventie vordert werkneemster terugbetaling van het door werkgeefster bij eindafrekening onterecht verrekende bedrag van € 5.796,90 netto.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat het onderzoek door werkgeefster na de ontdekking van de eerste ongeregeldheden in de administratie uitvoerig en grondig is gedaan. Daarbij heeft werkgeefster elke verdenking voor zover zij dat kon, onderbouwd met stukken. Uit het dossier blijkt ook dat werkgeefster diverse malen heeft geprobeerd met werkneemster in contact te treden om met haar te kunnen spreken over de geconstateerde afwijkingen in haar administratie en de ontstane verdenkingen. Daarbij heeft werkneemster nooit thuis gegeven. Ook in deze procedure is werkneemster zelf niet verschenen en ontbreekt het aan uitleg. Namens werkneemster is weliswaar verweer gevoerd, maar dit verweer komt feitelijk neer op een betwisting van de gerezen verdenkingen, waarbij gewezen wordt op het feit dat het onderzoek van werkgeefster soms teruggaat tot 2020 en dat voor werkneemster daardoor niet meer na te gaan is wat haar eventuele rol hierin was. Gelet op de onderbouwde stellingen van werkgeefster kan werkneemster hier echter niet mee volstaan. Het had op de weg van werkneemster gelegen om haar verweer nader te onderbouwen, maar dit heeft zij nagelaten. Het tijdsverloop in het onderzoek was nodig om de hierna beschreven patronen te ontdekken. Van een – voldoende – gemotiveerde betwisting door werkneemster is daarom naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen sprake. Uit het onderzoek door werkgeefster is naar voren gekomen dat werkneemster op een drietal manieren onrechtmatige onttrekkingen deed van werkgeefster. De kantonrechter is, gelet op het uitgebreide onderzoek door werkgeefster waarmee zij haar stellingen heeft onderbouwd, en het ontbreken van een gemotiveerde betwisting door werkneemster, van oordeel dat werkneemster in de uitoefening van haar functie als ‘hoofd administratie’ onrechtmatig heeft gehandeld door, zonder toestemming, forse geldbedragen aan zichzelf over te boeken en aankopen te doen, waarbij er sprake is geweest van opzet als bedoeld in artikel 7:661 lid 1 BW, zodat werkneemster op deze grond aansprakelijk is voor de schade die werkgeefster heeft geleden. Het verweer tegen de hoogte van de schade is onvoldoende onderbouwd door werkneemster. De vorderingen worden toegewezen.