Naar boven ↑

Rechtspraak

Dominguez/Centre informatique du Centre Ouest Atlantique
Hof van Justitie van de Europese Unie, 24 januari 2012

Dominguez/Centre informatique du Centre Ouest Atlantique

Samenloop vakantieverlof en ziekte. Verlof mag niet afhankelijk worden gesteld van daadwerkelijke arbeid. Richtlijnconforme interpretatie. Bovenwettelijke dagen mogen wel afhankelijk worden gesteld van nadere voorwaarden

Dominguez is sinds 1987 in dienst van het CICOA. Het Franse arbeidsrecht kent een werknemer die in de loop van het referentiejaar in dienst is geweest bij dezelfde werkgever gedurende een tijdvak overeenkomend met ten minste één maand daadwerkelijke arbeid, recht toe op tweeënhalve werkdag vakantie per gewerkte maand. In geval van een ‘arbeidsongeval’ wordt gedurende een periode van twaalf maanden de afwezigheid van werk gelijkgesteld met ‘daadwerkelijke arbeid’. In geval van ‘gewoon’ ziekteverlof heeft een werknemer geen recht op vakantieverlof. Na een ongeval op het traject tussen haar woning en haar arbeidsplaats was Dominguez van 3 november 2005 tot en met 7 januari 2007 met ziekteverlof. Dominguez heeft zich gewend tot de nationale rechter met het verzoek om toekenning van 22,5 dagen vakantie met behoud van loon voor bovengenoemd tijdvak en, subsidiair, betaling van een compenserende vergoeding. Na door genoemde rechterlijke instanties in het ongelijk te zijn gesteld heeft Dominguez beroep in cassatie ingesteld. Zij betoogt dat het ongeval op het traject tussen haar woning en haar arbeidsplaats een arbeidsongeval is waarop de regeling voor arbeidsongevallen van toepassing is. Ingevolge artikel L. 223-4 van de Code du travail moet naar haar oordeel het tijdvak waarin de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten vervolge op haar ongeval is onderbroken, voor de berekening van haar vakantie met behoud van loon worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak minimaal tien dagen of een maand daadwerkelijk heeft gewerkt. Met haar tweede vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 7 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat in een geschil tussen particulieren een – met genoemd artikel 7 strijdige – nationale bepaling op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak daadwerkelijk heeft gewerkt, buiten toepassing moet blijven. Met haar derde vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan, afhankelijk van de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer die met ziekteverlof is, de jaarlijkse vakantie met behoud van loon langer is dan of even lang als de door deze richtlijn gewaarborgde minimumduur van vier weken.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of praktijken op grond waarvan aan het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon de voorwaarde is gekoppeld dat de werknemer in het referentietijdvak minimaal tien dagen of een maand daadwerkelijk heeft gewerkt (zie o.a. Schultz-Hoff en Schulte). De verwijzende rechterlijke instantie dient, met inachtneming van het gehele interne recht, inzonderheid artikel L. 223-4 van de Code du travail, en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, teneinde de volle werking van artikel 7 van Richtlijn 2003/88 te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling, te onderzoeken of zij tot een uitlegging van dat recht kan komen op grond waarvan de afwezigheid van de werknemer wegens een ongeval op weg naar of van het werk kan worden gelijkgesteld met een van de gevallen bedoeld in voormeld artikel van de Code du travail. Indien een dergelijke uitlegging niet mogelijk is, dient de nationale rechter na te gaan of, gelet op de hoedanigheid rechtens van verweerders in het hoofdgeding, de rechtstreekse werking van artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 jegens hen kan worden ingeroepen. Wanneer de nationale rechter het door artikel 7 van Richtlijn 2003/88 voorgeschreven resultaat niet kan bereiken, kan de partij die benadeeld is doordat het nationale recht niet met het recht van de Unie strookt, zich niettemin beroepen op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90), om in voorkomend geval vergoeding van de geleden schade te verkrijgen. Ten aanzien van de derde en laatste vraag oordeelt het Hof dat artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan, afhankelijk van de oorzaak van de afwezigheid van de werknemer die met ziekteverlof is, de jaarlijkse vakantie met behoud van loon langer is dan of even lang als de door deze richtlijn gewaarborgde minimumduur van vier weken.

  • Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
  • Datum uitspraak: 24-01-2012
  • Roepnaam: Dominguez/Centre informatique du Centre Ouest Atlantique
  • Zaaknummer: C-282/10
  • Nummer: AR-2012-0073
  • Onderwerpen: Vakantie
  • Trefwoorden: vakantieverlof, Schultz-Hoff, richtlijnconforme interpretatie en daadwerkelijke arbeid