Naar boven ↑

Rechtspraak

ABN Amro Bank N.V. opvolger van Fortis Bank /post-actieven Fortis Bank

Nakoming vrijwillige bijdrage in kosten particuliere ziektekostenverzekering aan post-actieven naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Invoering Zorgverzekeringswet wel een ingrijpende omstandigheid

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om de vraag of het Fortis Bank jegens ex-werknemers (18 in totaal) vrij stond om – in verband met de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 – de op dat moment bestaande ‘Regeling’ met betrekking tot de tegemoetkoming in de kosten van de particuliere ziektekostenverzekering voor degenen die aansluitend aan hun dienstverband bij Fortis Bank vervroegd zijn uitgetreden of met pensioen zijn gegaan (hierna: de Regeling), geleidelijk af te bouwen tot nihil zoals zij heeft gedaan, te weten in 2006 continuering voor 100%, in 2007 voor 75%, in 2008 voor 50% en (als laatste stap) in 2009 voor 25%.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof heeft Fortis Bank met het vele jaren gevoerde beleid en mede gelet op de publicatie in de Seniorengids bij de ex-werknemers het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij de bijdrage in beginsel zouden (blijven) ontvangen en heeft dit alles bij elkaar genomen geleid tot een rechtens afdwingbare aanspraak. Ter zake van die aanspraak is geen sprake van een door Fortis Bank gemaakt voorbehoud tot eenzijdige wijziging. De in de Gids vermelde ‘Disclaimer’ leidt niet tot een ander oordeel. Immers, deze heeft blijkens de gehanteerde formulering betrekking op in de cao en/of de personeelsgids opgenomen arbeidsvoorwaardelijke regels en daaronder valt de onderhavige bijdrage niet. Uitgaande van het zogenoemde Haviltex-criterium behoefden ex-werknemers er geen rekening mee te houden dat de ‘Disclaimer’ ook op de bijdrage van toepassing zou zijn. Naar het oordeel van het hof leidt de structuur van de Regeling ertoe dat de kantonrechter terecht geen onderscheid heeft gemaakt al naar gelang de pensioendatum. Immers, doorslaggevend is het moment van uittreden en of vanaf dat moment recht op de bijdrage bestond; is dat het geval, dan loopt dat door na de pensioendatum.

Ten aanzien van het beroep op artikel 6:248 dan wel 6:258 BW oordeelt het hof als volgt. Duidelijk is dat voormelde wetswijziging als zodanig leidde tot – in het algemeen bezien – een ingrijpende verandering van omstandigheden. Immers, het onderscheid tussen de ziekenfonds- en de particuliere verzekering kwam te vervallen en voorts kwam – anders dan voorheen het geval was – op de werkgever een wettelijke verplichting te rusten om voor alle werknemers, dus niet meer alleen degenen die voorheen onder de Ziekenfondswet vielen, een premiebijdrage te gaan betalen (de zogenoemde loonafhankelijke bijdrage). In beginsel viel die wijziging naar het oordeel van het hof onder de reikwijdte van voormelde wetsartikelen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat ex-werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer continuering van de bijdrage mochten verwachten. In dat verband is (onder meer) van belang om te bezien wat de wetswijziging voor Fortis Bank ten opzichte van ex-werknemers aan verandering meebracht. In tegenstelling tot de situatie ten opzichte van de werknemers, veranderde er voor Fortis Bank jegens ex-werknemers niets: er bestond voorheen geen wettelijke verplichting voor Fortis Bank om voor hen een premiebijdrage te betalen en dat werd door de wetwijziging niet anders. Uitsluitend ten opzichte van de werknemers trad er in dat opzicht een wijziging op. De introductie van een voorheen niet bestaande wettelijke verplichting om een premiebijdrage te gaan betalen leidt – jegens de werknemers met een inkomen boven de voormalige ziekenfondsgrens – al snel tot aanpassing van de – niet wettelijk verplichte en in die zin dus onverplichte – contractuele premiebijdrage, aangezien anders een ‘dubbelop’ situatie zou ontstaan. De situatie voor de betreffende groep werknemers is echter wezenlijk anders dan die van de ex-werknemers en het feit dat de premiebijdrage voor de betreffende groep werknemers – door wijziging van de cao – wordt afgebouwd/afgeschaft is dan ook onvoldoende om te oordelen dat ook voor ex-werknemers de bijdrage in verband met de wetswijziging mag worden afgebouwd/afgeschaft zoals Fortis Bank heeft gedaan. Fortis Bank heeft voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een significante kostenverzwaring. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat ex-werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigde instandhouding van de Regeling hadden mogen verwachten. En a fortiori: het verlangen van ongewijzigde instandhouding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. De grieven in het principale hoger beroep treffen derhalve in zoverre geen doel.