Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 23 juli 2013
ECLI:NL:GHARL:2013:5394

werkgever/werkneemster

Vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden, te weten bewegen tot tekenen vaststellingsovereenkomst onder dreiging van ontslag op staande voet. Afhankelijke positie van werkneemster brengt met zich dat werkgever misbruik maakt van de omstandigheden. Wettelijke verhoging gematigd tot 10% omdat in casu geen sprake is van prikkelfunctie tot tijdige betaling

Werkgever heeft met werkneemster een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst gesloten. Volgens werkgever was de aanleiding een op 2 juni 2010 geconstateerde fraude in de urenregistratie, hetgeen volgens werkgever een dringende reden voor ontslag rechtvaardigde. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen onder een wilsgebrek.

Het hof oordeelt als volgt. Ter beantwoording van de vraag of de omstandigheden waaronder werkneemster haar instemming heeft gegeven tot beëindiging van haar arbeidsovereenkomst meebrengen dat zij zich op vernietigbaarheid van deze rechtshandeling kan beroepen wegens misbruik van omstandigheden door werkgever, moet worden bezien of (1) werkgever wist of had moeten begrijpen dat werkneemster door bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld afhankelijkheid of onervarenheid) bewogen werd tot het geven van instemming, en (2) werkgever (desalniettemin) de instemming van werkneemster bevorderde terwijl hetgeen hij wist of had moeten begrijpen hem daarvan had behoren te weerhouden. Naar het oordeel van het hof komt werkneemster op voormelde grond een beroep toe op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Daartoe is onder meer van belang dat werkneemster in een van haar werkgever afhankelijke positie bevond. Werkgever heeft werkneemster in het gesprek op 2 juni 2010 voorgehouden dat er een dringende reden bestond op grond waarvan de arbeidsovereenkomst met haar met onmiddellijke ingang kon worden beëindigd, terwijl werkgever naar het oordeel van het hof wist, althans behoorde te weten, dat een ontslag op staande voet gezien de omstandigheden in rechte waarschijnlijk geen stand zou houden. De enkele omstandigheid dat werkneemster op 7 juni 2010 – vergezeld door haar man – op een aantal fouten in de concept-overeenkomst heeft gewezen, neemt niet weg dat ze nog steeds in een afhankelijkheidsrelatie en met onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst is aangegaan. Van werkneemster is niet gesteld of gebleken dat zij kundig of ervaren was op het gebied van het arbeidsrecht.

Het hof ziet wel in de omstandigheden van het geval aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. De wettelijke verhoging dient niet zozeer te worden beschouwd als schadevergoeding, maar is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. In het onderhavige geval is geen sprake van nalatigheid of slordigheid bij de loonbetaling door de werkgever, maar stelde werkgever zich op het standpunt dat zij niet langer gehouden was tot loonbetaling, omdat de arbeidsovereenkomst was geëindigd. Anders dan werkneemster betoogt, mist de met artikel 7:625 BW bedoelde prikkel tot tijdige betaling van loon daarom in dit geval werking. Anderzijds is er naar het oordeel van het hof wel sprake van verwijtbaarheid aan de werkgever, zodat het hof, ondanks het feit dat de beoogde betalingsprikkel werking mist, geen aanleiding ziet de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.