Naar boven ↑

Rechtspraak

X Financiële Dienstverlening BV, Y &Co BV, Z Gouverneur Belastingadviseurs BV/A
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 maart 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:703

X Financiële Dienstverlening BV, Y &Co BV, Z Gouverneur Belastingadviseurs BV/A

Concurrentiebeding in koopovereenkomst aandelen valt niet onder artikel 7:653 BW. Beroep op artikel 6:248 lid 2 BW faalt.

In het kader van een uittreding uit een accountantsmaatschap, heeft A zijn aandelen verkocht aan XYZ. In deze koopovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Thans vordert A schorsing van het concurrentiebeding.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt vast dat het concurrentiebeding is opgenomen in een koopovereenkomst betreffende aandelen en niet in een arbeidsovereenkomst. Voor een (arbeidsrechtelijke) belangenafweging als opgenomen in artikel 7:653 lid 2 BW is dan ook geen plaats. Uit de koopovereenkomst volgt dat er een vergoeding door XYZ is betaald in de vorm van een koopsom voor de aandelen in Frodo Accountancy B.V. Het concurrentiebeding is – naast andere bedingen – aangegaan naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst, die is gesloten in het kader van de beëindiging van de samenwerking in maatschap C. A heeft willens en wetens met deze koopovereenkomst en het beding ingestemd, nadat maandenlang (met bijstand van advocaten) over een en ander is onderhandeld. A heeft gesteld dat het beroep op het concurrentiebeding thans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat hij zijn vak van registeraccountant niet mag uitoefenen. Hij heeft gesteld dat de omstandigheden gewijzigd zijn en dat XYZ – ook gezien het tijdsverloop – geen belang (meer) heeft bij het beding. Naar het voorshandse oordeel van het hof is het concurrentiebeding weliswaar zeer veelomvattend, namelijk levenslang en heel Nederland betreffend, doch nu het willens en wetens door A in het kader van het beëindigen van de maatschap is aangegaan, is dat feit op zich onvoldoende om te oordelen dat zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) waarschijnlijk zal slagen in een bodemprocedure.