Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Hemera Textiles B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 25 november 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:10965

werkneemster/Hemera Textiles B.V.

Verband tussen de gezondheidsklachten van naaister met betrekking tot linkerschouder en de arbeidsomstandigheden is te onbepaald en te onzeker. Geen toepassing omkeringsregel. Bovendien is causaal verband onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Werkneemster was in dienst van (de rechtsvoorganger van) Hemera in de periode 1 maart 2006 tot 30 november 2007 en van 5 maart 2008 tot en met 3 september 2010 op basis van tijdelijke contracten in de functie van naaister. Op 31 augustus 2009 heeft werkneemster haar huisarts bezocht in verband met klachten aan haar linkerschouder. Werkneemster stelt in de onderhavige procedure dat zij als gevolg van haar werk en de gebrekkige arbeidsomstandigheden een beroepsziekte heeft ontwikkeld. Werkneemster houdt Hemera op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk. De meeste naaimachines stonden te hoog voor haar, waardoor zij met geheven armen moest werken. Werkneemster moest haar hoofd steeds naar voren buigen om haar werk goed te kunnen zien. Vanaf 2008 bestond het werk van werkneemster vrijwel hoofdzakelijk uit naaiwerkzaamheden. Tot 2009 was er verder geen verwarming, ontbraken in hoogte verstelbare stoelen en was enkel één naaimachine lager afgesteld. Verder was de werkdruk hoog. Hermera voert verweer.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de arbeidsrechtelijke omkeringsregel van toepassing is. Allereerst wordt ingegaan op de arbeidsomstandigheden. Vanaf 2009 zijn de werkomstandigheden ten goede gewijzigd en was de hoogte van de naaitafels geen probleem meer. Anders dan werkneemster heeft gesteld, wordt ten aanzien van de gezondheidsklachten geoordeeld dat de schouderklachten vanaf augustus 2009 zijn ontstaan. Mede gelet op rapportages van een arbeidsdeskundige en verklaring van een neuroloog wordt geoordeeld dat het verband tussen de gezondheidsklachten van werkneemster met betrekking tot haar linkerschouder en de arbeidsomstandigheden te onbepaald en te onzeker is. Maar ook in het geval dit verband niet als te onbepaald en te onzeker moet worden geacht, geldt dat werkneemster  onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar gezondheidsklachten kunnen zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden bij Hemera. Bij dit alles speelt ook mee dat het onduidelijk gebleven is of de gezondheidsklachten met betrekking tot de linkerschouder in zijn algemeenheid hun oorzaak kunnen vinden in de verrichte werkzaamheden. Dat de werkzaamheden de klachten kunnen onderhouden of verergeren, zoals door de fysiotherapeut is verklaard, is hiervoor niet voldoende. Dit betekent – zo volgt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, SVB/Van de Wege) – dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in dit geval niet van toepassing is en op werkneemster de volledige stelplicht en bewijslast rust. Werkneemster heeft, gelet op de betwisting door Hemera, onvoldoende onderbouwd gesteld dat er een causaal verband is tussen haar gezondheidsklachten aan haar linkerschouder en haar werkzaamheden bij Hemera. Dat de werkzaamheden kunnen leiden tot een inklemming van de pees gevolgd door een ruptuur, is weliswaar gesteld door werkneemster onder verwijzing naar het rapport van Jonker maar dit rapport heeft zij niet overgelegd. Evenmin heeft zij een bewijsaanbod op dit punt gedaan. Uit geen van de door werkneemster aangehaalde rapportages van deskundigen of uit de door haar ingevulde lijsten volgt dat een inklemming of een ruptuur van de schouder kan ontstaan door de werkzaamheden die zij bij Hemera verrichtte. Volgt afwijzing van de vordering.