Naar boven ↑

Rechtspraak

SVB/werknemer
Hoge Raad, 7 juni 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ1717

SVB/werknemer

RSI-schade: het verband tussen de gezondheidsschade (RSI) en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald voor toepassing van de omkeringsregel indien de diagnose RSI slechts op één deskundigenrapportage is gestoeld. Schending zorgplicht door onvoldoende garanties te bieden dat werknemer niet langer dan twee uur onafgebroken beeldschermwerk verricht

Werkneemster is via uitzendbureau Content in de periode van 11 juli 1994 tot 4 mei 1995 werkzaam geweest bij SVB als dossierbeoordelaar. Sinds 4 mei 1995 is werkneemster ziek. Werkneemster heeft SVB aansprakelijk gesteld voor de RSI-klachten die zij ervaart. Zij betoogt dat haar medische problemen zijn veroorzaakt door een combinatie van de aard van de verrichte werkzaamheden, de slechte ergonomische omstandigheden, de hoge werkdruk en de slechte werksfeer. De kantonrechter heeft als deskundige benoemd de neuroloog dr. J. Vos. Deze heeft te kennen gegeven dat hij de vraag of werkneemster aan een RSI-aandoening lijdt, niet met zekerheid kan beantwoorden vanwege het ontbreken van objectieve afwijkingen. Het hof heeft als deskundige benoemd de internist M.G.W. Barnas. Deze is tot de slotsom gekomen dat de klachten van werkneemster onder de noemer ‘RSI chronische fase’ kunnen worden gebracht. Nadat het hof in een eerder tussenarrest had geoordeeld dat de omkeringsregel niet van toepassing zou zijn, oordeelde het in een volgend tussenarrest dat ook bij RSI-klachten de omkeringsregel van kracht is (HR 9 januari 2009, LJN BF8875, BAM-arrest). De deskundige Barnas heeft geantwoord dat de vastgestelde arbeidsomstandigheden – gemiddeld ruim vijf uur per dag beeldschermwerk, geen ergonomische stoel, hoge werkdruk – als waarschijnlijke oorzaak kunnen worden aangemerkt voor de bij werkneemster vastgestelde klachten. Op de vraag van het hof om de term ‘waarschijnlijk’ te concretiseren heeft hij geantwoord een percentage van 75% hanteerbaar te achten. In het eindarrest heeft het hof geoordeeld dat SVB zowel het Besluit beeldschermwerk als de Arbeidsomstandighedenwet heeft geschonden, zodat zij aansprakelijk is voor de schade. Het beroep op proportionele aansprakelijkheid wijst het hof af. De eventuele predispositie van werkneemster speelt enkel een rol bij de hoogte van de schadevergoeding, aldus het hof. Tegen dit oordeel keert het SVB zich in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (HR 17 november 2000, LJN AA8369, NJ 2001, 596, Unilever/Dikmans; HR 23 juni 2006, LJN AW6166, NJ 2006, 354, Haverman/Luyckx; HR 9 januari 2009, LJN BF8875, NJ 2011, 252, Lanskroon/BAM). De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. De klacht van SVB dat over de aard en de oorzaken van RSI veel onduidelijkheden bestaan en dat, mede als gevolg daarvan, onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden van werkneemster haar RSI hebben veroorzaakt brengt met zich dat het andersluidende oordeel van het hof dat de regel uit de arresten Unilever/Dikmans en Havermans/Luyckx van toepassing is, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daaraan doet niet af dat het oordeel van het hof steun vindt in de tweede rapportage van de deskundige Barnas. In het licht van de onduidelijkheden omtrent de aard en oorzaken van RSI volstaat niet dat wordt aangesloten bij de zienswijze van een deskundige op grond van de enkele verwijzing naar diens ‘op kennis, ervaring en intuïtie gebaseerde schatting’.

Met betrekking tot de vermeende schending van de zorgplicht, oordeelt de Hoge Raad als volgt. De enkele omstandigheid dat SVB in strijd met artikel 4 Besluit beeldschermwerk in verbinding met artikel 6 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1994 heeft verzuimd aan werkneemster de instructie te geven dat zij na ten hoogste twee achtereenvolgende uren beeldschermwerk ander werk moest gaan doen of een pauze moest nemen, niet meebrengt dat SVB is tekortgeschoten in de naleving van de op grond van artikel 7:658 lid 1 BW op haar rustende zorgplicht jegens werkneemster. Het antwoord op de vraag of zulks het geval is, is mede afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 12 september 2003, LJN AF8254, NJ 2004, 177). Uit de overige omstandigheden (lange duur van beeldschermwerk en onvoldoende andere werkzaamheden) heeft het hof de schending wel mogen afleiden.

Met betrekking tot de proportionele aansprakelijkheid, oordeelt het hof als volgt. SVB heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de vaststelling van Barnas dat de schade 75% gerelateerd is aan het werk, ten minste 25% dat niet is en dus sprake zou moeten zijn van toepassing van de Nefalit-regel. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat de deskundige Barnas weliswaar een percentage van 75% noemt maar daaraan geen gevolgtrekkingen heeft verbonden omtrent eventuele alternatieve oorzaken in de risicosfeer van werkneemster, en dat hetgeen SVB daaromtrent heeft aangevoerd onvoldoende gewicht in de schaal legt. Het hof is daarbij klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat het op de weg van SVB lag om, in het licht van de bevindingen van de deskundige Barnas, haar stellingen nader te onderbouwen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.