Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 mei 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:1766
Met annotatie door F.M. Dekker

werknemer/werkgever

Schorsing. Werkgever is in casu niet gehouden het loon van werknemer door te betalen. HR Van der Gulik/Vissers. Werknemer was beroepschauffeur en had geen geldig rijbewijs meer. Geen beschikbaarheid om de bedongen arbeid te verrichten.

Werknemer is op 9 januari 1992 als chauffeur in dienst getreden van werkgever. In juli 2014 is bij inschrijving van een cursus gebleken dat het rijbewijs van werknemer eind 2012 was verlopen en verlengd diende te worden. Nadat dit door de cursusorganisatie aan werknemer was gemeld, heeft werkgever werknemer daarop aangesproken en hem bij brief van 8 juli 2014 bericht dat werknemer zal worden geschorst tot de datum, waarop hij zijn werkzaamheden weer kan hervatten. Werknemer heeft van het CBR geen Verklaring van geschiktheid gekregen omdat bij hem sprake was van alcoholmisbruik. Werknemer heeft tevergeefs tegen dit besluit van het CBR een bezwaarschrift ingediend. Werknemer heeft bij brief van 2 april 2015 om loondoorbetaling verzocht. Werkgever heeft dit verzoek afgewezen. Werkgever heeft in eerste aanleg verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:685 (oud) BW. Werknemer heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend, inhoudende veroordeling van werkgever tot betaling van het loon vanaf 1 juli 2014. De kantonrechter heeft het verzoek van werkgever toegewezen en het verzoek van werknemer afgewezen. Tegen de afwijzing van de kantonrechter van het verzoek tot loondoorbetaling komt werknemer in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer stelt dat hij recht heeft op doorbetaling van loon. Ter onderbouwing van die stelling verwijst hij naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3057, Van der Gulik/Vissers). De overwegingen van de Hoge Raad in dit arrest missen in dit geval echter toepassing. Om recht te hebben op loon moest werknemer bereid en beschikbaar zijn om de bedongen arbeid te verrichten. Werknemer stelt wel dat hij die bereidheid had, maar dat is gemotiveerd door werkgever betwist. Dat heeft tot gevolg dat het hof er niet van uit kan gaan dat werknemer bereid was de bedongen arbeid te verrichten. Overigens heeft werknemer niet gesteld dat hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, maar dat hij bereid was passende arbeid te verrichten. Waarom werkgever hem daartoe in de gelegenheid had moeten stellen, is niet duidelijk. Werknemer heeft niets gesteld waaruit volgt dat werkgever die verplichting daartoe had op grond van artikel 7:658a BW. Werknemer kon van 1 juli 2014 – de datum waarop de loonbetaling werd stopgezet – tot 1 oktober 2015, de met hem overeengekomen arbeid niet verrichten, omdat hij niet over een geldig rijbewijs beschikte. Het niet kunnen beschikken over een geldig rijbewijs – dat onmisbaar is voor de uitoefening van de functie van chauffeur – wegens alcoholmisbruik, is een omstandigheid die voor risico van werknemer komt. Vanwege het ontbreken van het rijbewijs was werknemer niet beschikbaar om de bedongen arbeid te verrichten, in die zin dat werknemer de arbeid niet mocht en dus niet kon verrichten. Vanwege het ontbreken van beschikbaarheid, kan werkgever niet worden gehouden tot loonbetaling. Van die situatie was reeds sprake toen werknemer door werkgever werd geschorst. Die schorsing bracht daar geen verandering in, omdat werknemer geen recht had op loon vanwege een absolute verhindering om de bedongen arbeid te verrichten ingevolge een omstandigheid die voor zijn risico kwam. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.