Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Organon (MSD)
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 6 oktober 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:4487

werknemer/Organon (MSD)

Analytisch Laboratorium Assistent die in privétijd handelt in drugs heeft geen recht op een transitievergoeding bij ontslag. Uitleg ‘onaanvaardbaarheidstoets’ transitievergoeding bij ernstig verwijtbaar handelen.

Werknemer is op 1 maart 1999 bij een rechtsvoorganger van MSD in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam als Analytisch Laboratorium Assistent (O2-High) binnen de afdeling Quality Assurance op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In zijn functie controleerde werknemer of de producten van MSD aan de voorgeschreven kwaliteitseisen voldeden. Werknemer is op 8 november 2015 aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. In zijn woning zijn ruim 100 XTC-pillen, een aantal liter GBL/GHB, ruim 20 gram speed en ruim 1000 pillen Kamagra in beslag genomen. Kamagra is een illegaal geneesmiddel dat erectiebevorderend werkt. MSD heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en geoordeeld dat de transitievergoeding niet verschuldigd is. Werknemer is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Aanvankelijk verzocht werknemer herstel of een billijke vergoeding, maar vanwege een nieuwe dienstbetrekking verzoekt hij in hoger beroep enkel nog uitbetaling van de transitievergoeding.

Het hof oordeelt als volgt. De wetgever heeft voor ogen gestaan dat voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden en dat niet snel mag worden aangenomen dat geen transitievergoeding verschuldigd is (zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 39-40). Het verstrekken van verdovende middelen en illegale geneesmiddelen is in strijd met de doelstelling en de daarmee samenhangende normen en waarden van MSD die gericht zijn op het beschermen en verbeteren van de volksgezondheid en staat haaks op de werkzaamheden die werknemer bij MSD verrichtte. Daarbij gaat het handelen van werknemer niet om een incident, maar om langdurig en structureel gedrag. Werknemer heeft gedurende anderhalf jaar op regelmatige basis (ieder tweede weekeinde van de maand) deze middelen verstrekt tijdens feestjes die hij zelf organiseerde. Daarbij komt dat hij hiermee een aanmerkelijk risico op reputatieschade voor MSD heeft gecreëerd. Dat dit risico zich tot op heden nog niet heeft verwezenlijkt, doet daaraan niet af. Dat dit alles zich in de privésfeer heeft afgespeeld, acht het hof gelet op de aard en inhoud van de functie van werknemer van onvoldoende belang. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat werknemer het vertrouwen van MSD zodanig onwaardig is geworden dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW. Dit betekent dat MSD in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd is aan werknemer. Het hof stelt voorop dat de formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid’ tot uitdrukking brengt dat de rechter bij de toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW de nodige terughoudendheid dient te betrachten. In de parlementaire geschiedenis wordt het voorbeeld genoemd van een relatief kleine misstap na een heel lang dienstverband (zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 113).