Naar boven ↑

Rechtspraak

Lodder c.s./werknemer
Hoge Raad, 3 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:364
Met annotatie door prof. mr. dr. S.S.M. Peters

Lodder c.s./werknemer

Relatiebeding valt onder artikel 7:653 BW. Vereiste van geschrift conform Philips/Oostendorp-arrest.

Feiten

(Cassatieberoep van AR 2013-0864.) Werknemer is in dienst geweest van Lodder. In de arbeidsovereenkomst stond een concurrentiebeding opgenomen. Tevens was het personeelshandboek 2002 in deze arbeidsovereenkomst geïncorporeerd. In het personeelshandboek staat een relatiebeding. Volgens Lodder – en de kantonrechter – heeft werknemer het relatiebeding overtreden en verbeurt hij een boete van € 247.218,99 wegens schending van een rechtsgeldig met hem overeengekomen non-concurrentiebeding als bedoeld in artikel 7:653 BW. Werknemer wijst erop dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het non-concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst, met daarin een verbod bij cliënten van Lodder in dienst te treden en anderzijds het relatiebeding in het personeelsreglement 2002. Werknemer stelt zich op het standpunt dat hij het non-concurrentiebeding niet heeft overtreden en dat het relatiebeding niet rechtsgeldig schriftelijk met hem is overeengekomen. Hij voert daartoe aan dat het personeelsreglement waarin dit beding was opgenomen hem niet ter hand werd gesteld bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst. De bewijslast dat dit reglement hem wel is verstrekt ligt bij Lodder. Bovendien is het personeelsreglement 2002, met daarin het relatiebeding waarop Lodder zich beroept, komen te vervallen door invoering van een vervangend personeelsreglement 2006. In het reglement van 2006 is geen relatiebeding opgenomen. Lodder wijst erop dat in de arbeidsovereenkomst staat opgenomen dat het personeelshandboek is bijgevoegd en dat werknemer uitdrukkelijk verklaart daarvan kennis te hebben genomen. De door werknemer ondertekende arbeidsovereenkomst is derhalve een onderhandse akte in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), als gevolg waarvan vaststaat, behoudens tegenbewijs, dat werknemer kennis heeft genomen van de inhoud van het personeelsreglement 2002 en dat hij hiermee akkoord is gegaan. Het hof heeft in zijn eindarrest geoordeeld dat Lodder niet heeft bewezen dat het personeelshandboek was bijgevoegd bij de ondertekening van de arbeidsovereenkomst.

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Zoals is overwogen in HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0384, NJ 2008/503 (Philips/Oostendorp), ligt aan artikel 7:653 lid 1 BW, voor zover die bepaling inhoudt dat een concurrentiebeding schriftelijk moet worden overeengekomen, de gedachte ten grondslag dat in het vereiste van geschrift een bijzondere waarborg is gelegen dat de werknemer de consequenties van dit voor hem bezwarende beding goed heeft overwogen. Uit r.o. 3.4 van dat arrest volgt, kort gezegd, dat aan de eis van artikel 7:653 lid 1 BW dat een concurrentiebeding ‘schriftelijk is overeengekomen’, ook kan zijn voldaan indien het concurrentiebeding is opgenomen in arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in een ander document dan het document dat de werknemer heeft ondertekend. In dat geval moet zijn voldaan aan een van de twee volgende vereisten: (a) de arbeidsvoorwaarden waren als bijlage bij het ondertekende document gevoegd en in dat document is naar die arbeidsvoorwaarden verwezen, of (b) de werknemer heeft in het ondertekende document uitdrukkelijk verklaard dat hij instemt met het concurrentiebeding. Artikel 7:653 lid 1 BW heeft betrekking op ‘een beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn’. Deze bepaling ziet ook op een relatiebeding als in het onderhavige geval. De overwegingen in het arrest Philips/Oostendorp dienen dan ook mede op dergelijke bedingen te worden betrokken. Voor zover het onderdeel een ruime uitleg of een verruiming van deze eisen bepleit, doet het dat (dus) tevergeefs. Aan die eisen is niet voldaan in de omstandigheden die het onderdeel vermeldt. Opmerking verdient dat de op 1 januari 2015 in werking getreden wijziging van artikel 7:653 lid 1 BW voor een geval als het onderhavige geen verandering heeft gebracht in het bestaande recht, en dat ook de totstandkomingsgeschiedenis van deze wetswijziging geen aanknopingspunt biedt voor een versoepeling van de in het arrest Philips/Oostendorp gegeven eisen als door het onderdeel wordt bepleit.