Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 7 maart 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:752
Stichting Kolom, Stichting voor speciaal en regulier onderwijs/werkneemster
Feiten
Werkneemster is in 1980 in dienst getreden van de stichting Kolom. De omvang van haar dienstbetrekking bedroeg 0,9894 gedeelte van een volledige betrekking. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de cao Voortgezet Onderwijs (hierna: de cao). Werkneemster is sinds 15 november 2013 arbeidsongeschikt. Kolom heeft op 15 oktober 2015, na 104 weken van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, aan werkneemster een brief geschreven waarin onder meer staat dat zij met ingang van 1 maart 2016 opnieuw wordt benoemd als leraar, maar dan voor 0,55 fte. Hiervoor heeft werkneemster een Akte van Ontslag en een Akte van Benoeming ontvangen. In eerste aanleg heeft de kantonrechter Kolom veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 33.394,40. Het verzoek om een billijke vergoeding en om betaling van achterstallig salaris heeft de kantonrechter afgewezen. Werkneemster komt hiertegen in hoger beroep.
Oordeel
Sprake van opzegging?
Het hof is van oordeel dat, gelet op de onderhavige omstandigheden, het op 15 oktober 2015 door Kolom aan werkneemster toesturen van genoemde brief met daarbij in het vooruitzicht gesteld een Akte van Ontslag en een Akte van Benoeming, niet is aan te merken als een opzegging in de zin van artikelen 7:673 en 7:681 BW. Daarbij is van belang dat de aanstelling van werkneemster voor 55% van de volledige werktijd in nauw overleg met haar tot stand is gekomen en deze aanstelling ook het maximale betreft waartoe werkneemster op medische gronden in staat was. Voorafgaand aan het verzenden van de brief van 15 oktober 2015 waren partijen al met elkaar in gesprek en hadden zij overeenstemming bereikt over het, vanwege de medische beperkingen van werkneemster, aanpassen van de aanstelling van 98,94% naar 55%. Dat partijen het daarover al eens waren blijkt uit het door werkneemster binnen enkele dagen ondertekend retourneren van de Akte van Benoeming. Dat Kolom gebruik heeft gemaakt van een Akte van Ontslag en een Akte van Benoeming is, naar zij onweersproken heeft aangevoerd, gevolg van de systematiek van de op werkneemster toepasselijke cao. In dan wel op grond van deze cao is bepaald dat wanneer de werknemer blijvend ongeschikt is voor zijn betrekking en het UWV van oordeel is dat de werknemer arbeidsgeschikt is voor en herplaatsbaar in zijn eigen betrekking onder andere voorwaarden, dan wel in één of meer andere functies bij de werkgever, ontslag slechts mogelijk is indien de werknemer direct aansluitend onder die andere voorwaarden in zijn betrekking, dan wel in die andere functie of een van die andere functies wordt benoemd. Deze regeling voorziet daarmee in de herplaatsing van een werknemer in een functie waarvoor deze door het UWV geschikt wordt geacht, door middel van het geven van ontslag en aansluitende (her)benoeming. Kolom en werkneemster hebben dienovereenkomstig gehandeld. Daarmee is geen sprake van de situatie dat partijen de bedoeling hadden om een einde aan de arbeidsrelatie te maken dan wel deze niet te willen voortzetten: het blijkt juist dat geen einde van het dienstverband werd beoogd.
Achterstallig salaris
Werkneemster verzoekt voorts om toekenning van € 1008,63 bruto aan achterstallig salaris, verhoogd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Dit verzoek is er, naar het hof begrijpt, op gebaseerd dat tijdens ziekte toelagen (bindingstoelage, eindejaarsuitkering en inkomenstoelage) moeten worden betaald, hetgeen ten onrechte niet is geschied. Kolom heeft zulks bestreden en aangevoerd op welke loonelementen krachtens de cao aanspraak bestaat, alsook dat aan werkneemster die loonelementen zijn voldaan. Werkneemster heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat desondanks sprake is van ten onrechte door haar niet ontvangen salarisbestanddelen. De grief faalt.