Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 22 juni 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:2819
werkneemster/Post & Pakket Distributie Service V.O.F.
Feiten
(Hoger beroep van AR 2016-1387.) Werkneemster is op 15 september 2015 in dienst getreden van werkgever in de functie van chauffeuse. Zij heeft zich op 28 december 2015 ziek gemeld. In februari en april 2016 heeft de bedrijfsarts van werkgever geconcludeerd dat werkneemster arbeidsongeschikt is voor haar eigen werkzaamheden, maar dat aangepaste werkzaamheden wel mogelijk zijn voor 5x2-3 uur. Werkneemster heeft op 26 april 2016, ondanks verzoek van werkgever, niet hervat in aangepaste werkzaamheden. Op verzoek van werkneemster is het UWV om een deskundigenoordeel gevraagd over de kwestie of het door werkgever aangeboden werk passend is voor werkneemster, hetgeen het geval bleek te zijn. Werkgever heeft vervolgens de betaling van het loon van werkneemster opgeschort met ingang van 1 juni 2016. Op 13 juli 2016 heeft werkgever werkneemster (in aanwezigheid van haar gemachtigde) gesommeerd diezelfde dag te hervatten in aangepast werk. Bij die gelegenheid is werkneemster voorts een brief overhandigd waarin haar (onder meer) wordt medegedeeld dat indien zij niet uiterlijk om 14:45 uur die dag verschijnt voor instructies teneinde te hervatten in aangepast werk zij om 15:00 uur op staande voet ontslagen zal worden. Werkneemster is niet verschenen op 13 juli 2016 om 14:45 uur. Bij brief van 13 juli 2016 is werkneemster op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft het verzoek van werkneemster afgewezen.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Ontslag op staande voet wegens weigering re-integratieverplichting nog voordat loonsanctie ‘gevoeld’ wordt, is nietig
Bij brief van 1 juli 2016 heeft PPDS nogmaals geschreven dat zij de loonbetaling zou staken en wel per 1 juni 2016. Werkneemster heeft deze brief op 6 juli 2016 ontvangen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, heeft werkgever verklaard dat PPDS het loon altijd pas betaalt op de 15e van de maand volgende op de maand waarover het loon verschuldigd is. Dat betekent dat werkneemster pas op 15 juli 2016 voor het eerst de financiële gevolgen zou merken van de aangekondigde loonstop. Deze aankondiging was echter al genoeg om werkneemster in beweging te krijgen. Daar waar zij eerder meedeelde niet te willen komen op afspraken, maakte zij nu zelf een afspraak met PPDS om te spreken over de loonsanctie. Het gesprek werd gepland op 13 juli 2016. Pas tijdens dit gesprek werd een ontslag op staande voet aangekondigd. Diezelfde middag is zij op staande voet ontslagen. Dat was dus nog voordat werkneemster het effect van de loonstop feitelijk heeft ervaren, omdat het loon over de maand juni (zonder de loonstop) eerst op 15 juli zou zijn betaald. Het hof is van oordeel dat een ontslag op staande voet een uiterst middel dient te zijn en dat een werkgever daarvan met terughoudendheid gebruik dient te maken. Voor die terughoudende toepassing is reden in een situatie als hier aan de orde, het weigeren mee te werken aan re-integratie, en wel met name omdat de wet reeds voorziet in een sanctie, namelijk het verlies van het recht op loonbetaling. Anders dan bij het niet naleven van controlevoorschriften, verliest de werknemer dat recht gedurende de periode dat hij die medewerking weigert (art. 7:629 lid 3 BW). Blijkens de wetsgeschiedenis is een verdergaande sanctie in de regel niet nodig.