Rechtspraak
Vanaf 4 juli 2012 ontvangt appellant een WW-uitkering. In januari 2013 doet UWV onderzoek naar de neveninkomsten van appellant. Daaruit blijkt dat appellant naast zijn WW-uitkering inkomsten geniet uit dienstbetrekkingen met drie werkgevers. UWV herziet naar aanleiding daarvan de WW-uitkering van appellant en vordert een bedrag van € 5.762,14 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug. Daarnaast legt UWV aan appellant een boete op vanwege schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakt bezwaar tegen de terugvordering van de WW-uitkering en de opgelegde boete. Hij betoogt namelijk dat hij in de periode dat hij een WW-uitkering heeft ontvangen heeft gewerkt bij slechts twee, en dus niet drie, werkgevers. UWV verklaart het bezwaar van appellant ongegrond. Ook de rechtbank verklaart het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Bij een belastend besluit als het onderhavige is het aan UWV om aannemelijk te maken dat appellant in de betreffende periode gewerkt heeft. Dat brengt mee dat UWV onderbouwd, aan de hand van een zorgvuldig onderzoek, het door betrokkene aangedragen bewijs voor zijn stelling dat hij niet heeft gewerkt, moet weerleggen. Enerzijds zijn er gegevens van de betreffende derde werkgever die er sterk op duiden dat appellant bij de betreffende werkgever heeft gewerkt. Het betreft een formulier waaruit blijkt dat iemand met de identiteitskaart en het BSN van appellant heeft gecontracteerd. Daar komt bij dat de verklaringen van appellant over zijn arbeidsverleden inconsistent zijn. Dat een derde met gebruikmaking van zijn verloren identiteitsbewijs zou hebben gecontracteerd, kan daarnaast niet juist zijn omdat appellant op de datum van dat contract dat identiteitsbewijs volgens zijn aangifte bij de politie nog niet was verloren. Anderzijds zijn er ook gegevens die erop duiden dat appellant niet bij de derde werkgever heeft gewerkt. Zo komt het adres op het salarisformulier niet overeen met het woonadres van appellant op dat moment en is het rekeningnummer waarop de salarisbetaling geschiedde een ander nummer dan dat van appellant, terwijl die salarisbetaling op naam staat van een persoon die appellant stelt niet te kennen. De twee handtekeningen op het ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffing’ en het salarisformulier komen niet of nauwelijks overeen met de andere in de stukken aangetroffen handtekeningen van appellant. Ook beschikt appellant niet over een auto, waardoor het, gelet op de reistijd met het openbaar vervoer en de te overbruggen afstand, onwaarschijnlijk is dat appellant de werkzaamheden bij de derde werkgever heeft kunnen combineren met de werkzaamheden bij de andere twee werkgevers. UWV heeft onvoldoende onderzoek verricht op die punten waar meer duidelijkheid had kunnen worden verkregen door bijvoorbeeld bij de derde werkgever hieromtrent nadere informatie te verkrijgen. Bij deze onduidelijkheden en inconsistente verklaringen kan het geschil niet definitief worden beslecht. Daarom zal UWV in de gelegenheid worden gesteld nader onderzoek te verrichten en dit gebrek te herstellen.