Rechtspraak
Appellante is tot 31 december 2011 werkzaam als secretaris voor de duur van 20 uur per week bij een stichting. Daarna ontvangt zij WW. Op 23 augustus 2012 meldt zich zij zich ziek met lichamelijke klachten als gevolg van exacerbatie van al langer bekende ziekte van Crohn. Op 20 november 2013 geeft UWV een 'Verklaring van arbeidsgeschiktheid' (de Verklaring) af. Daarin staat vermeld dat appellante vanaf 1 januari 2014 geen ZW meer ontvangt. Appellante maakt op 23 december 2013 bezwaar. Op 3 januari 2014 volgt een 'beslissing van arbeidsgeschiktheid' van UWV, waarin UWV appellante per 1 januari 2014 hersteld heeft gemeld en bepaalt dat vanaf die datum geen recht meer bestaat op ZW. Op 3 januari 2014 stuurt appellante haar bezwaar van 23 december 2013 nogmaals aan UWV. UWV merkt dat bezwaar aan als gericht tegen de beslissing van 20 november 2013 en verklaart het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Anders dan UWV is de rechtbank van oordeel dat de Verklaring een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is en het bezwaar van 23 december 2013 buiten de bezwaartermijn van twee weken is ingediend. De termijnoverschrijding is volgens de rechtbank verschoonbaar, nu in de Verklaring een bezwaarclausule ontbreekt. Er is echter geen reden het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts. UWV heeft de ZW-uitkering op goede gronden beëindigd per 1 januari 2014, aldus de rechtbank. Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij per 1 januari 2014 niet in staat was haar eigen arbeid te verrichten. Op of rond 1 januari 2014 heeft geen medisch onderzoek vanuit UWV plaatsgevonden, zodat in de bezwaarfase geen zorgvuldige heroverweging is gemaakt. Uit medische informatie van haar behandelend MDL-arts/internist van 4 september 2014 kan worden opgemaakt dat appellante niet optimaal inzetbaar is voor werk, aldus appellante.
De Raad oordeelt als volgt. De vraag luidt of er op of na de datum van 1 januari 2014 sprake is van dusdanige medische objectiveerbare ziekte of gebreken die het appellante niet mogelijk maakten haar arbeid te verrichten. Naar het oordeel van de Raad is daarvan geen sprake en is zulks voldoende gemotiveerd door de verzekeringsartsen. Dat appellante op de datum van 1 januari 2014 niet is onderzocht doet hieraan niet af, nu appellante vóór die datum is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep na die datum heeft beoordeeld dat de gemaakte inschatting door de verzekeringsarts juist is. De door appellante overgelegde medische informatie leidt niet tot een ander oordeel, nu de MDL-arts/internist zich heeft onthouden van het doen van uitspraken over de geschiktheid van appellante voor werk, terwijl de door deze arts gestelde klachten zijn betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsartsen. Het hoger beroep slaagt niet. Nu de bezwaarfase niet adequaat is verlopen, wordt UWV veroordeeld in de proceskosten.