Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft ten onrechte de schadevergoeding van appellant vanwege een onrechtmatig loonsanctiebesluit inzake de bekorting van een loonsanctie beperkt tot 70% van het volledige loon.

Op 27 oktober 2008 legt UWV in het kader van een WIA-aanvraag van appellant een loonsanctie aan werkgeefster van appellant op, inhoudende dat het tijdvak van 104 weken waarover appellant recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken wordt verlengd tot 23 december 2009. UWV bekort nadien de loonsanctieperiode tot 19 januari 2009, omdat werkgeefster van appellant de tekortkoming in haar re-integratieverplichting heeft hersteld. Appellant stelt daartegen bezwaar in, hetgeen door UWV ongegrond wordt verklaard. Bij uitspraak van 22 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8096, vernietigt de Centrale Raad van Beroep – onder andere – de ongegrondverklaring van het bezwaar door UWV, omdat UWV de eigen interne gedragslijn niet op juiste wijze heeft toegepast. De Raad oordeelt dat UWV ten onrechte de opgelegde loonsanctie heeft bekort. Naar aanleiding daarvan verzoekt appellant UWV om schadevergoeding, vanwege het ten onrechte bekorten van de loonsanctie tot 19 januari 2009, gelet op het feit dat appellant over het loonsanctiejaar aanspraak maakt op vergoeding van zijn volledige salaris met aftrek van wat hij in dat jaar aan uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. UWV kent daarop appellant een schadevergoeding toe van € 2.349,31. Appellant maakt hiertegen bezwaar, omdat de betreffende schadevergoeding is beperkt tot 70% van het door werkgeefster niet betaalde loon. Het bezwaar van appellant wordt door UWV ongegrond verklaard. Ook het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit wordt door de rechtbank ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) op 1 juli 2013. Niet in geschil is dat UWV aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van het ten onrechte bekorten van de loonsanctie. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan voor vergoeding in aanmerking komt, zo veel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het burgerrechtelijke schadevergoedingsrecht (ECLI:NL:CRVB:2012:BX4618). Volgens rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2010:BL0539) geldt als beginsel dat de schadevergoeding de schuldeiser zo veel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat uitgangspunt brengt mee dat de omvang van de schade in beginsel wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 BW, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraken van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446 en van 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4236). In de uitspraak van 9 december 2015 en in de uitspraak van dezelfde datum, bekend onder ECLI:NL:CRVB:2015:4248, heeft de Raad, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, nader uiteengezet langs welke lijn verzoeken om vergoeding van schade ten gevolge van ten onrechte (niet) opgelegde of gehandhaafde loonsancties moeten worden beoordeeld. Voor zover hier van belang is daarbij overwogen dat sprake is van een rechtstreeks verband met de opgelegde loonsanctie voor zover het gaat om betalingen waartoe de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst gedurende het derde ziektejaar verplicht was. Ter zitting wordt vastgesteld dat door UWV loonschade over de periode van 19 januari 2009 tot 23 december 2009 aan appellant moet worden vergoed. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst van appellant met werkgeefster is bepaald dat bij ziekte van de werknemer het volledige loon zal worden doorbetaald. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het bepaalde in artikel 4 ook betrekking heeft op het derde ziektejaar. Wanneer de loonsanctie niet ten onrechte was bekort, had appellant over de periode van 19 januari 2009 tot 23 december 2009 derhalve zijn volledige loon doorbetaald gekregen. Daarvan uitgaande en nu vaststaat dat appellant over genoemde periode een WW-uitkering heeft ontvangen ter hoogte van eerst 75% (gedurende de eerste twee maanden) en daarna 70% van zijn volledige loon, bedraagt de door appellant over die periode geleden schade 25% onderscheidenlijk 30% van zijn volledige loon. Met UWV wordt ervan uitgegaan dat de loonschade die appellant als gevolg van het onrechtmatige loonsanctiebesluit heeft geleden € 3.926,28 bedraagt. Aangezien UWV aan appellant een schadebedrag heeft toegekend van € 2.349,31, kan het bestreden besluit niet in stand blijven en moet het worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd. Aan appellant wordt een aanvullende schadevergoeding toegekend van € 1.576,9, vermeerderd met wettelijke rente.