Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft terecht blijvend en geheel de WW-uitkering van appellant geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het herhaaldelijk inzien en/of printen van vertrouwelijke documenten als gemeenteambtenaar levert, ook zonder toepassing van hoor en wederhoor, een objectief dringende reden op.

Appellant werkt sinds 1979 bij (de rechtsvoorganger van) de gemeente Drimmelen. Het college van B&W (verder: het college) wordt herhaaldelijk geconfronteerd met het lekken van informatie naar de pers. Op 10 november 2005 wordt aan appellant een disciplinaire maatregel opgelegd, vanwege ernstig plichtsverzuim bestaande uit het afleggen van een verklaring die kennelijk bewust en uitdrukkelijk in strijd is met de waarheid. In 2007 wordt het college opnieuw geconfronteerd met het lekken van informatie aan de pers, maar het onderzoek dat naar aanleiding daarvan wordt ingesteld levert geen uitsluitsel op omtrent de verantwoordelijke voor het lekken. In 2008 wordt besloten dat appellant niet langer in aanraking mag komen met vertrouwelijke post. Het college bericht appellant in dit kader dat verdenkingen van lekken door appellant blijven bestaan en dat de organisatie derhalve zijn handelen nauwlettend zal volgen. In 2011 wordt besloten dat appellant niet langer alle werkzaamheden van zijn functie mag uitoefenen. In 2012 zijn er opnieuw signalen over het lekken van vertrouwelijke informatie aan de regionale media. Het college stelt naar aanleiding daarvan onderzoek in. Vooruitlopend op de uitkomsten van dit onderzoek bericht het college appellant op 21 februari 2012 dat er sterke aanwijzingen zijn dat appellant verantwoordelijk is voor het lekken. Appellant wordt op 22 februari 2012 met onmiddellijke ingang geschorst. Naar aanleiding van het door het college ingestelde onderzoek komt op 27 maart 2012 vast te staan dat van vijf van zeven eerdere incidenten het zeer aannemelijk is dat de poststukken die daarop betrekking hebben vanuit het account van appellant en door appellant zijn afgedrukt. Het betreft in alle gevallen documenten die appellant niet hoefde te openen, in te zien en/of te printen voor de uitoefening van zijn functie. Tijdens het onderzoek wordt overigens niet vastgesteld wie daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie aan derden. Verder blijkt dat onder het account van appellant zeventien vertrouwelijke documenten zijn geprint, die betrekking hebben op correspondentie tussen de gemeente Drimmelen en ambtenaren. Die documenten hadden, vanuit de functie van appellant bezien, niet beroepsmatig door hem ingekeken dan wel geprint mogen worden. Op 3 april 2012 bericht het college appellant dat het voornemens is over te gaan tot strafontslag van appellant. Op 7 juni 2012 zijn appellant en het college een vaststellingsovereenkomst overeengekomen, waarmee appellant met ingang van 1 juni 2012 op eigen verzoek ontslag is verleend. Op 18 juni 2012 vraagt appellant een WW-uitkering aan. UWV beslist dat appellant met ingang van 1 juni 2012 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat appellant deze niet geldend kan maken omdat appellant verwijtbaar werkloos is. Het door appellant ingestelde bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid als omschreven in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is in het geval van een ambtelijke arbeidsverhouding niet nodig dat de werkgever strafontslag heeft verleend. Ook als een werkgever tot het verlenen van eervol ontslag heeft besloten kan aan de ontstane werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW ten grondslag liggen. Of sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht (zie bijvoorbeeld CRvB 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8359). Partijen zijn het erover eens dat appellant vanaf maart 2011 geen vertrouwelijke stukken meer mocht inzien. Mede gelet op de incidenten in 2005 en 2008 was appellant een terdege gewaarschuwd man en diende hij zich verre te houden van alles wat maar de minste schijn van onbetrouwbaarheid zou kunnen opleveren. In hoger beroep is niet langer in geschil dat appellant via zijn account op de computer in beginsel onbeperkt toegang kon krijgen tot vertrouwelijke documenten. Appellant stelt zich met name op het standpunt dat hij dit niet onbevoegdelijk heeft gedaan. Appellant heeft dit, naar het oordeel van de Raad, niet aannemelijk gemaakt. Zo valt niet in te zien waarom appellant privégerelateerde stukken tussen individuele ambtenaren en de gemeente zou moeten inzien en/of printen. Het gaat evident om vertrouwelijke stukken, waarvan vaststaat dat appellant deze niet geacht werd in te zien en waar appellant ook gezien de onderlinge taakverdeling op de afdeling niets mee te maken had. Appellant heeft nog gesteld dat het college het voorgenomen ontslag op staande voet heeft gebaseerd op onvoldoende onderzoek, omdat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, zodat het ontslag op staande voet in die omstandigheden niet op zijn plaats zou zijn geweest. Appellant heeft er evenwel zelf voor gekozen om een minnelijke regeling met het college te treffen en heeft zodoende zelf verder afgezien van hoor en wederhoor. Daarnaast dient UWV een eigen beoordeling te maken over de vraag of aan de ontstane werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Appellant heeft niet toegelicht welke gevolgen zijn hiervoor weergegeven stelling zou moeten hebben voor de besluitvorming van UWV. Met de rechtbank wordt daarom geconcludeerd dat appellant met het herhaaldelijk inzien en/of printen van vertrouwelijke documenten zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die voor het college een objectief dringende reden opleverde om een einde te maken aan zijn dienstbetrekking. Niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een te traag handelingstempo van het college, waardoor gezegd zou moeten worden dat er subjectief geen sprake was van een dringende reden. Niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden van appellant die meebrengen dat van een arbeidsrechtelijke dringende reden geen sprake is. Het oordeel van de rechtbank dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, is zodoende juist. Er is geen grond om te oordelen dat het niet-nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Gelet hierop is de WW-uitkering terecht blijvend en geheel geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.