Naar boven ↑

Rechtspraak

Dat appellant in verband met de terugvordering niet in aanmerking komt voor een WSNP-traject levert geen dringende reden op om van terugvordering af te zien.

UWV stelt vast dat het recht op WW-uitkering van appellant met ingang van 17 februari 2012 herleeft. Later blijkt uit een gesprek met een werkcoach dat appellant al sinds 1 januari 2012 fulltime werkzaamheden verricht als zelfstandige. De werkcoach deelt appellant mee dat in verband met deze, bij de werkcoach niet bekende, werkzaamheden nader onderzoek verricht zal worden. De werkcoach heeft vervolgens, gelet op de ernstige persoonlijke omstandigheden van appellant, de primaire afdeling geadviseerd de WW-uitkering hangende het nog te verrichten onderzoek niet te schorsen maar te blijven uitbetalen. Naar aanleiding van een rapport van de inspecteur van de directie Handhaving van UWV schorst UWV alsnog de uitkering. Op grond van de bevindingen uit het rapport van 7 september 2012 heeft UWV bij besluit van 20 november 2012 vastgesteld dat appellant over de periode van 13 februari 2012 tot en met 19 augustus 2012 geen recht had op een WW-uitkering, en heeft UWV een bedrag van € 13.605,04 teruggevorderd aan volgens UWV over deze periode onverschuldigd betaalde WW-uitkering.

Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot de vraag of sprake is van een dringende reden op grond waarvan UWV had dienen af te zien van terugvordering van de WW-uitkering over de periode van 29 april 2012 tot en met 19 augustus 2012. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 17 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1946) kunnen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. De omstandigheid dat de werkcoach appellant onvolledig heeft geïnformeerd over het feit dat hij die na het gesprek te betalen WW-uitkering eventueel zou moeten terugbetalen, heeft geen betrekking op de gevolgen die de terugvordering voor appellant heeft en kan dus niet leiden tot een geslaagd beroep op het bestaan van een dringende reden. Appellant stelt dat hij in een bijzonder slechte financiële situatie verkeert. Daarmee maakt hij echter niet aannemelijk dat sprake is van onaanvaardbare financiële consequenties als gevolg van de terugvordering die hier aan de orde is. Tot slot heeft appellant in het kader van zijn beroep op de aanwezigheid van een dringende reden aangevoerd dat de terugvordering en de boete hem beletten om in aanmerking te komen voor een WSNP-traject. De Raad heeft eerder overwogen (CRvB 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2242) dat het feit dat een betrokkene in verband met de op hem van toepassing zijnde WSNP-regeling nadelige gevolgen kan ondervinden van een door UWV ingestelde terugvordering op zichzelf geen dringende reden oplevert. Dat is niet anders in dit geval, waarin, zoals appellant stelt, hij in verband met de terugvordering en boete niet in aanmerking kwam voor een WSNP-traject. Hetgeen appellant heeft aangevoerd vormt aldus geen dringende reden om van terugvordering af te zien.