Naar boven ↑

Rechtspraak

De volledige financiƫle afhankelijkheid van een WIA-uitkering van verzoeker vormt een spoedeisend belang op grond waarvan de voorzieningenrechter van de Raad een voorlopige voorziening kan treffen.

Verzoeker is werkzaam als poedercoater. Op 19 juli 2012 valt hij uit wegens psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet WIA. Op basis van drie functies met de hoogste lonen is de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoeker berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 23 juni 2014 is vastgesteld dat verzoeker met ingang van 17 juli 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. Verzoeker stelt hoger beroep in. Daarbij vraagt hij een voorlopige voorziening aan omdat hij financieel volledig afhankelijk is van een WIA-uitkering en er een situatie dreigt te ontstaan dat hij zijn financiƫle verplichtingen niet meer kan nakomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak te doen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de voornoemde situatie zich voordoet. Nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. De feiten en omstandigheden zijn in de stukken uitgebreid aan de orde gekomen en ter zitting nogmaals besproken en toegelicht. Overigens zijn er ook geen beletselen om uitspraak te doen in de hoofdzaak, zodat aan de hiervoor genoemde artikelen toepassing zal worden gegeven. Het hoger beroep slaagt echter niet. Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht, alsmede het oordeel dat de voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruikte functies in medisch opzicht geschikt moeten worden geacht, wordt onderschreven.