Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft terecht het WW-dagloon gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon.

Appellant ontvangt vanaf 1 mei 1999 een WAO-uitkering, toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, omdat hij als gevolg van enkelklachten zijn werkzaamheden als banketbakker niet meer naar behoren kan uitvoeren. Vanaf 1 april 2000 gaat appellant aan de slag als beveiligingsmedewerker. UWV betaalt vanaf dat moment de WAO-uitkering, voor zover de inkomsten uit arbeid daartoe aanleiding geven, uit aan appellant naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 16 februari 2011 meldt appellant zich vanwege psychische klachten ziek voor zijn werk als beveiligingsmedewerker. UWV beoordeelt de WAO-aanspraak van appellant opnieuw en stelt de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vast op 25 tot 35%. Met ingang van 13 februari 2013 ontvangt appellant een WW-uitkering, omdat zijn dienstverband is beƫindigd, gebaseerd op een van zijn WAO-vervolgdagloon afgeleid dagloon. Appellant is het niet eens met de hoogte van dit dagloon omdat dit niet is afgeleid van zijn inkomen als beveiligingsmedewerker en stelt hiertegen bezwaar en beroep in. Het bezwaar en het beroep van appellant worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uit artikel 13 lid 2 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit dagloonregels) volgt dat het WW-dagloon van de werknemer die op de eerste werkloosheidsdag een uitkering op grond van de WAO naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80% ontvangt, wordt vastgesteld door evenredige verlaging van het laatstelijk geldende WAO-dagloon. Dit WAO-dagloon wordt in aanmerking genomen naar de mate waarin de uitkering, waarvoor het dagloon wordt vastgesteld, in de plaats is gekomen voor de uitkering op grond van de WAO. In lid 8 van artikel 13 van het Besluit dagloonregels is bepaald dat het voorgaande niet van toepassing is zolang bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met de arbeid die de werknemer na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft verricht in de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden. De Raad verwijst naar eerdere rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:BO7958 en ECLI:NL:CRVB:2012:BV1645), waarin nader in is gegaan op de bedoeling van de wetgever bij artikel 13 van het Besluit dagloonregels. Uit die eerdere rechtspraak volgt ook dat het WW-dagloon in het algemeen niet hoger dient te zijn dan het welvaartsniveau dat de werknemer had voor het intreden van de werkloosheid. Met de aansluiting bij het WAO-vervolgdagloon ex artikel 13 lid 2 Besluit dagloonregels wordt recht gedaan aan het vereiste dat het dagloon voldoende inkomensbescherming biedt op het welvaartsniveau dat de werknemer had voor het intreden van het verzekerde risico. In de onderhavige zaak is aan de hand van de door UWV verstrekte gegevens vastgesteld dat voor appellant, als het WW-dagloon zou zijn berekend op basis van het loon dat hij als beveiligingsmedewerker heeft verdiend, een WW-dagloon zou zijn vastgesteld dat aanzienlijk hoger zou zijn geweest dan het voor hem geldende WAO-vervolgdagloon. Voor appellant geldt dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% steeds is gebaseerd op een vergelijking van zijn maatmaninkomen (het inkomen van de gezonde banketbakker) met het loon dat verdiend zou kunnen worden in de voorbeeldfuncties die voor hem geschikt werden geacht. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn redenering dat hij heeft verkeerd in de situatie die is beschreven in artikel 13 lid 8 Besluit dagloonregels. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% is niet de uitkomst geweest van een berekening waarin het verdiende loon als beveiligingsmedewerker een berekeningsfactor is geweest. De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van UWV bij het vaststellen van het dagloon per 13 februari 2013 is weliswaar geen afschatting geweest, omdat het percentage van 25 tot 35% ongewijzigd bleef, maar is wel een theoretische vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid geweest en niet een zogenoemde praktische schatting. De duidelijke tekst van artikel 13 lid 2 en lid 8 Besluit dagloonregels biedt geen houvast voor een berekening van het WW-dagloon van appellant op het loon dat hij als beveiligingsmedewerker heeft verdiend. Dat vaststelling van het WW-dagloon op het bedrag van het WAO-vervolgdagloon tot een inkomensachteruitgang leidt, is het gevolg van een door de wetgever gemaakte keuze. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.