Rechtspraak
Appellante is minder dat 15% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de WAO, nadat zij – volgend op de ziekmelding van 27 april 1998 – de wachttijd had volgemaakt. Daarna is ze bij een voetbalvereniging in dienst getreden waar zij kantine- en schoonmaakwerkzaamheden is gaan verrichten. Op 15 oktober 2012 heeft zij zich ziek gemeld wegens rug- en schouderklachten. Per 1 januari 2013 is haar dienstverband geëindigd. Op 13 februari 2013 heeft appellante het spreekuur van de verzekeringsarts UWV bezocht. UWV heeft op die dag besloten dat de uitkering op grond van de ZW eindigt per 18 februari 2013. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts ten grondslag. Appellante maakt bezwaar, UWV verklaart dit bezwaar ongegrond. Vervolgens stelt ze beroep in bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsarts naar de gezondheidstoestand van appellante voldoende zorgvuldig is verricht. In 1999 is van appellante een zogenoemd FIS-formulier opgemaakt. De verzekeringsarts heeft haar geestelijke en lichamelijke beperkingen met dit rapport vergeleken en geconcludeerd dat de situatie in het formulier nog onveranderd aan de orde is. Er is geen sprake van vermindering van de belastbaarheid en appellante wordt geacht geschikt te zijn voor maatgevende arbeid. Appellante stelt hoger beroep in en voert aan dat ze niet in staat is de kenmerkende werkzaamheden, behorend bij haar maatgevende arbeid, te verrichten. Daarnaast heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte geoordeeld dat er geen nieuwe medische geobjectiveerde gegevens zijn aangevoerd. Ook is ten onrechte aangenomen dat haar belastbaarheid gelijk is gebleven aan die zoals vastgesteld in het FIS-formulier.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft, wordt op grond van artikel 19 lid 5 ZW bepaald dat onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.