Rechtspraak
Appellant werkte laatstelijk tijdelijk via een uitzendbureau als chauffeur tot 13 april 2011. Van 31 januari 2011 tot 5 februari 2011 werkte hij niet wegens ziekte. Van 20 april 2011 tot en met 19 juli 2011 komt appellant in aanmerking voor WW. Op 19 december 2012 heeft appellant een WIA-uitkering aangevraagd vanuit de situatie dat hij werkloos was. Deze uitkering is afgewezen, omdat appellant de wettelijke wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Per 11 november 2012 heeft appellant zich naar eigen zeggen ziek gemeld en te kennen gegeven dat hij al vanaf augustus 2011 ziek was. Op 14 mei 2013 heeft appellant UWV een rapport van 5 maart 2013 van psychiater Van Marle toegezonden. Bij besluit van 16 juli 2013 heeft UWV appellant niet in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering, omdat appellant na meer dan vier weken na einde verzekering ziek zou zijn geworden. Appellant heeft bezwaar gemaakt. Op 13 mei 2013 heeft appellant opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd en vermeld dat hij op 29 juli 2011 niet kon werken. UWV heeft deze aanvraag afgewezen, omdat appellant op 12 november 2011 niet verzekerd zou zijn geweest op grond van de WIA. Hiertegen heeft appellant eveneens bezwaar gemaakt. Beide bezwaren zijn ongegrond verklaard. Ook het beroep bij de rechtbank slaagt niet. De rechtbank kan het standpunt niet volgen dat het zwervend bestaan dat appellant zou hebben geleid in 2011 tot een ziekte te herleiden is. Appellant stelt hoger beroep in en voert aan dat hij binnen vier weken na 19 juli 2011 arbeidsongeschikt was wegens PTSS.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Uit zowel artikel 46 ZW als artikel 10 WIA vloeit voort dat degene die binnen vier weken na einde verzekering ongeschikt wordt om te werken, wordt beschouwd alsof hij verzekerd was gebleven. In geschil is of appellant binnen vier weken na eindigen van zijn WW-uitkering arbeidsongeschikt is geworden. In het rapport van Van Marle uit 2013 is vermeld dat appellant in 2011 en 2012 zwierf en dat PTSS onder meer wordt gekenmerkt door zwerfneiging. Ook is gebleken dat de verzekeringsarts ervan uit is gegaan dat augustus 2011 de enige periode is waarin appellant heeft gezworven. Dit is onjuist. Van Marle heeft in zijn rapporten van 5 maart 2013 en 1 juli 2015 na grondig onderzoek, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat het symptomencomplex als gevolg van PTSS bij appellant in juli 2011 aanwezig is geweest. Ook volgt hieruit dat appellant ook voor 2011 al wisselend functioneerde en vervolgens definitief is uitgevallen. De conclusie is dat appellant vanaf 20 juli 2011 en daarmee binnen vier weken na einde van zijn verzekering, ziek is geweest ten gevolge van PTSS. De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van UWV en draagt UWV op een nieuwe beslissing te nemen.