Naar boven ↑

Rechtspraak

Prepensioen wordt ingehouden op WW-uitkering. Van een ondubbelzinnige toezegging van medewerkers dan wel de werkcoach is geen sprake zodat UWV niet gehouden is hiervan af te zien wegens schending van het vertrouwensbeginsel.

Na ontslag bij zijn laatste werkgever is appellant met ingang van 1 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Vervolgens heeft appellant met ingang van maart 2013 maandelijks een bedrag aan prepensioen ontvangen. Dit prepensioen heeft appellant opgebouwd in een eerder dienstverband, voorafgaand aan het dienstverband op grond waarvan hij de genoemde WW-uitkering ontvangt. Bij besluit van 4 april 2013 heeft UWV appellant meegedeeld dat dit prepensioen zal worden ingehouden op zijn WW-uitkering. Niet in geschil is dat het prepensioen van appellant op grond van de regelgeving in mindering dient te worden gebracht op zijn WW-uitkering. In geschil is alleen de vraag of UWV daarvan op grond van het vertrouwensbeginsel had dienen af te zien.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de telefonische mededelingen van medewerkers van UWV op 7 augustus 2012 en 25 maart 2013 niet zijn aan te merken als concrete toezeggingen, gedaan door of namens het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan. Uit het feit dat appellant de vraag of zijn prepensioen zou worden gekort op zijn WW-uitkering op 22 maart 2013 weer telefonisch heeft voorgelegd aan medewerkers van UWV, blijkt volgens de rechtbank bovendien dat van een ondubbelzinnige toezegging geen sprake was. Appellant heeft ook niet aangetoond dat aan hem door de werkcoach, Guldemond, een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan op grond waarvan hij de verwachting kon hebben dat zijn prepensioen niet in mindering zou worden gebracht op zijn WW-uitkering. Guldemond is als getuige gehoord. Zij heeft – kort gezegd – verklaard zich het gesprek met appellant op 24 januari 2013 niet meer te kunnen herinneren. Van dit gesprek zijn ook geen aantekeningen voorhanden. In zijn algemeenheid adviseerde zij altijd om contact op te nemen met de afdeling WW als het om een WW-technische vraag ging. In deze verklaring zijn geen aanknopingspunten gelegen voor het oordeel dat zij aan appellant toezeggingen heeft gedaan.

Bovendien blijkt uit door appellant in de bezwaarprocedure ingebrachte e-mail van juli/augustus 2012 tussen appellant en zijn pensioenfonds dat het pensioen van appellant reglementair ingaat op 62-jarige leeftijd en dat indien appellant de ingangsdatum wil uitstellen naar een latere datum, hij dit zes maanden van tevoren dient aan te vragen. Voor appellant betekende dit dat hij deze aanvraag uiterlijk op 1 oktober 2012 had moeten indienen bij het pensioenfonds. Dit was ook duidelijk voor appellant, zoals uit de e-mail blijkt. Welke informatie appellant op 24 januari 2013 ook had gekregen over de gevolgen van uitbetaling van zijn prepensioen op de hoogte van zijn WW-uitkering, op dat moment was de mogelijkheid om de uitbetaling van zijn prepensioen uit te stellen gepasseerd.