Naar boven ↑

Rechtspraak

Terugvordering onverschuldigde betaalde WW-uitkering. UWV is bij de door verrekening geëffectueerde terugvordering terecht uitgegaan van het brutobedrag aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering en het brutobedrag aan uitkeringen waarop betrokkene alsnog recht had gekregen.

Betrokkene is werkzaam als archiefmedewerker bij Bedrijf X. Op 29 augustus 2007 staakt betrokkene wegens ziekte zijn werkzaamheden. De kantonrechter ontbindt deze arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2008. Betrokkene wordt vervolgens met ingang van 1 april 2008 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. In 2009 dient betrokkene een aanvraag in om een uitkering op grond van de Wet WIA. UWV bericht betrokkene dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, aangezien de op grond van deze wet geldende wachttijd niet is volgemaakt. Hoewel UWV het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaart, leidt de procedure bij de rechtbank tot een nieuwe beslissing op bezwaar van 7 maart 2012, waarbij appellant alsnog vaststelt dat betrokkene de wachttijd heeft volgemaakt. Betrokkene had immers na afloop van de loondoorbetaling – 1 februari 2008 – recht op een ZW-uitkering in plaats van een WW-uitkering. Bij besluit van 22 augustus 2012 trekt UWV het besluit van 14 mei 2008 tot toekenning van een WW-uitkering in en stelt vast dat betrokkene eerst met ingang van 26 augustus 2009 in aanmerking komt voor een WW-uitkering.

Vervolgens vordert UWV bij besluit van 3 september 2012 de over de periode van 1 april 2008 tot en met 25 augustus 2009 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug. Het terug te vorderen bedrag wordt verrekend met WW-uitkering over de periode 26 augustus 2009 tot en met 29 juli 2012. Appellant stelt het totaal terug te vorderen brutobedrag vast op € 14.718,63. Betrokkene maakt tegen dit besluit bezwaar. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant op grond van artikel 36 lid 1 WW verplicht is om onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug te vorderen en dat geen sprake is van een dringende reden om daarvan af te zien. De rechtbank is voorts van oordeel dat er in dit geval sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden, waarin terugvordering van een brutobedrag geen rechtsplicht meer kan zijn. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellant pas bij besluit van 3 september 2012 de WW-uitkering heeft teruggevorderd, terwijl bij appellant al veel eerder bekend had moeten zijn dat betrokkene per 1 april 2008 recht had op een ZW-uitkering in plaats van een WW-uitkering. Doordat appellant pas in 2012 de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd, waarbij de terugvordering betrekking heeft op kalenderjaren die inmiddels in fiscale zin zijn afgesloten, heeft betrokkene niet de mogelijkheid gehad om de ten onrechte betaalde uitkering over de jaren 2008 en 2009 netto terug te betalen. Gelet op deze omstandigheden had appellant in redelijkheid van brutering dienen af te zien. Appellant is in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. UWV geeft geen uitvoering aan de tussenuitspraak. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en opdracht gegeven opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak. UWV stelt hoger beroep tegen deze uitspraak in.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Partijen verschillen van mening over de vraag of appellant het brutobedrag aan onverschuldigd betaalde uitkering mocht terugvorderen en verrekenen met bruto WW-uitkering en bruto ZW-uitkering. Ingevolge artikel 36 lid 1 WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door appellant teruggevorderd. Ingevolge artikel 4:93 lid 1 Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Ingevolge artikel 36a lid 2 WW in verbinding met artikel 27g lid 1 WW verrekent appellant de onverschuldigd betaalde uitkering met, onder meer, een WW-uitkering of een ZW-uitkering (zie Kamerstukken II 1994/95, 23909, p. 27 en 63).

Appellant is bij de door verrekening geëffectueerde terugvordering terecht uitgegaan van het brutobedrag aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering en het brutobedrag aan uitkeringen waarop betrokkene alsnog recht had gekregen. Dit is niet alleen in overeenstemming met onderdeel 5 van de Beleidsregel terug- en invordering op grond waarvan terugvordering van bruto-uitkering uitgangspunt is, maar in het geval van verrekening ook een juiste benadering uit een oogpunt van vergelijking met gelijke grootheden. Dat betrokkene als gevolg van deze verrekening over de betreffende periode te veel belasting heeft betaald is niet aannemelijk. Betrokkene heeft feitelijk niets extra hoeven bij te betalen. De door de rechtbank beantwoorde vraag of appellant eerder had behoren te weten dat onverschuldigd uitkering aan betrokkene was betaald, is hierbij niet maatgevend. Wat betreft de beroepsgrond van betrokkene dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, wordt overwogen dat niet is gebleken van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties ten gevolge van de terugvordering. Betrokkene heeft feitelijk niets hoeven terug te betalen, nu de terugvordering kon worden uitgevoerd door verrekening met de aan betrokkene toegekende WW- en ZW-uitkering.