Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant geen dienstverband heeft gehad en derhalve niet is aan te merken als werknemer in de zin van de WW. Geen aanleiding onderzoek te doen naar het bestaan van eventuele verklaringen van andere personen in hetzelfde onderzoek omtrent gefingeerde dienstverbanden.

Appellant heeft sinds 16 januari 2012 een arbeidscontract met werkgever X. Dit contract wordt met ingang van 16 juli 2012 beëindigd. Vanaf 17 juli 2012 ontvangt appellant een WW-uitkering. Bij UWV wordt enige tijd later een melding gedaan dat een persoon een gefingeerd dienstverband zou hebben afgesloten met werkgever X, waarop UWV een onderzoek start naar de medewerkers van werkgever X. Tijdens dat onderzoek worden onder meer bestuurder Y, bestuurder van werkgever X van 15 september 2011 tot 9 april 2012, bestuurder Z, bestuurder en directeur van werkgever X vanaf 9 april 2012, en appellant verhoord. Bestuurder Y en bestuurder Z verklaren daarbij onder meer dat zij niet bekend zijn met een dienstverband van appellant. Naar aanleiding van het onderzoek stelt UWV bij besluit van 4 april 2013 vast dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat hij niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. Volgens UWV is namelijk geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en werkgever X. Appellant maakt hiertegen bezwaar en hij voert daarbij onder andere aan dat de verklaringen van bestuurder Y en bestuurder Z innerlijk tegenstrijdig zijn en dat hij wel werknemer bij werkgever X is geweest. Het bezwaar van appellant wordt ongegrond verklaard, waarop hij in beroep gaat bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat uit de gedingstukken blijkt dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband tussen appellant en werkgever X en onder die omstandigheden verschuift de bewijslast dat appellant wel een dienstverband had met werkgever X volgens de rechtbank naar appellant. Appellant gaat tegen het oordeel van de rechtbank in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant heeft een arbeidscontract d.d. 5 januari 2012 overgelegd. Daar wordt door de Raad geen waarde aan gehecht, omdat de handtekening van werkgever X, die volgens dit contract bestuurder Z zou zijn, niet overeenstemt met de handtekening van bestuurder Z onder het proces-verbaal van het verhoor. Bovendien heeft bestuurder Z tijdens het verhoor verklaard dat zij niet wist dat er bij werkgever X personeel in dienst was en dat zij nog nooit van de naam van appellant had gehoord. Daarnaast heeft appellant zelf niet verklaard wanneer, waar en in wiens aanwezigheid hij het contract heeft ondertekend en is het contract op vele punten onduidelijk. Zo bevat het contract bijvoorbeeld geen beschrijving van de werkzaamheden van appellant. Bestuurders Y en Z hebben tevens verklaard dat er geen activiteiten binnen werkgever X hebben plaatsgevonden en dat zij niet wisten dat er personeel in dienst was. Daarnaast heeft bestuurder Z verklaard de op naam van appellant gestelde loonstroken en ontslagverklaring nooit te hebben gezien en dat de handtekening onder de ontslagverklaring niet van haar is. De Raad acht de verklaringen van bestuurders Y en Z noch onderling noch innerlijk tegenstrijdig, zodat UWV deze heeft mogen gebruiken. Hiermee heeft UWV voldoende feiten aangedragen om aannemelijk te achten dat appellant geen dienstverband heeft gehad met werkgever X. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht en op grond van een juiste maatstaf de bewijslast verschoven naar appellant.

Appellant heeft vervolgens zelf niet aannemelijk kunnen maken dat hij wel als werknemer werkzaamheden heeft verricht voor werkgever X, nu hij geen specifieke informatie heeft kunnen geven over de inhoud van zijn werkzaamheden. Voorts heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken dat hij door geheugenproblemen niet in staat zou zijn geweest volledige verklaringen over zijn werkzaamheden af te leggen. Bovendien hoeft er, in tegenstelling tot hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen acht te worden geslagen op de verklaringen van andere personen die in het kader van het onderzoek van UWV zijn verhoord om de reden dat zij mogelijk een gefingeerd dienstverband met werkgever X zouden hebben gehad. Hoewel verklaringen van andere personen in hetzelfde onderzoek in het algemeen gesproken van belang kunnen zijn als (mogelijk ontlastend) bewijs, bestaat er in dit geval geen aanleiding nader onderzoek te doen naar het bestaan van eventuele verklaringen van bovengenoemde personen. Daartoe wordt overwogen dat de uit het naar appellant zelf ingestelde onderzoek naar voren gekomen feiten – waaronder met name zijn ongeloofwaardige verklaringen over de door hem verrichte werkzaamheden – overtuigend is gebleken dat van een arbeidsovereenkomst tussen hem en werkgever X geen sprake is geweest. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.