Rechtspraak
UWV brengt appellante met ingang van 2 juli 2012 in aanmerking voor een WW-uitkering, berekend naar een arbeidsurenverlies per week van 40. Op 16 augustus 2012 is door de politie op het door appellante opgegeven woonadres een hennepkwekerij aangetroffen met 189 hennepplanten. Op basis van de resultaten van het politieonderzoek trekt UWV bij besluit van 16 januari 2014 de WW-uitkering van appellante in per 2 juli 2012 en vordert over de periode van 2 juli 2012 tot en met 19 augustus 2012 onverschuldigd betaalde uitkering tot een bedrag van € 3.962 van appellante terug. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit worden ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat uit de resultaten van het onderzoek door de politie en UWV voldoende aannemelijk is geworden dat appellante betrokken is geweest bij de exploitatie van een hennepkwekerij. Volgens vaste rechtspraak is het aan appellante om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat zij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en dat zij ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Volgens de rechtbank is dat appellante niet gelukt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat het bij een besluit tot intrekking van uitkeringen als hier aan de orde gaat om een belastend besluit waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en daarmee te onderbouwen dat geen recht op uitkering heeft bestaan. Dit brengt mee dat UWV feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante per 2 juli 2012 40 uur per week werkzaamheden verrichtte als zelfstandige in de in haar huurwoning aangetroffen hennepkwekerij, waardoor zij haar werknemerschap heeft verloren. Vaststaat dat in de door appellante gehuurde woning op 16 augustus 2012 een hennepkwekerij is aangetroffen met 189 hennepplanten. Tevens is aannemelijk dat vanaf 5 april 2012 werkzaamheden hebben plaatsgevonden in deze hennepkwekerij. Appellante heeft ter zitting verklaard dat zij nooit in de betreffende woning heeft gewoond, dat zij niets wist van de in haar woning aangetroffen hennepkwekerij, dat zij daarbij nooit betrokken is geweest, en daarin ook geen werkzaamheden heeft verricht. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante het voorgaande tegenover de politie, en in alle fasen van de procedure, consistent heeft verklaard. De door appellante afgelegde verklaringen over (de gang van zaken rond) haar woning op het adres zijn niet onaannemelijk. UWV heeft, naast het horen van appellante, geen eigen onderzoek verricht. Afgezien van het bestaan van de hennepkwekerij en de eerste oogst, heeft UWV geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit desondanks volgt dat appellante vanaf 2 juli 2012 zelf werkzaamheden heeft verricht in de aangetroffen hennepkwekerij, laat staan dat daarmee 40 uur per week was gemoeid. Daarbij wordt erop gewezen dat het ten tijde hier van belang voor de bepaling van het recht op WW-uitkering niet bepalend is hoe hoog eventuele verdiensten zijn geweest, maar het aantal arbeidsuren per week. Hieruit volgt dat UWV niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking van de WW-uitkering en tot terugvordering te besluiten. Het hoger beroep slaagt.