Naar boven ↑

Rechtspraak

Tussenuitspraak. De Raad heeft in de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen onvoldoende onderbouwing aangetroffen voor de conclusie dat appellant bij aanvang van zijn verzekering ingevolge de Wet WIA al volledig arbeidsongeschikt was.

Appellant is in 1974 op 20-jarige leeftijd vanuit Marokko naar Nederland gekomen. Vanaf december 1988 dreef appellant een bedrijf. Op 11 februari 1989 vond een schietincident plaats, waarbij het hoofd van appellant door een verdwaalde kogel werd geraakt. Als gevolg hiervan kan appellant nauwelijks lopen, kan hij zijn rechterarm niet gebruiken en heeft hij veel last van hoofdpijn. Een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is hem geweigerd. Weliswaar werd appellant 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht, maar hij voldeed niet aan de in de AAW geldende inkomenseis in het jaar voorafgaande aan de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Op 29 mei 2006 is appellant door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam verwezen naar Pantar in het kader van een voortraject detachering. Per 1 december 2006 is appellant in dienst getreden bij de DWI. Op 15 november 2007 is appellant uitgevallen voor zijn werk als gevolg van fysieke klachten. Gedurende de wachttijd is het dienstverband van appellant op 1 december 2008 van rechtswege geëindigd. Bij besluit van 18 januari 2010 stelt UWV vast dat appellant met ingang van 12 november 2009 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, op de grond dat na onderzoek van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige was gebleken dat hij bij aanvang van zijn dienstverband op 1 december 2006 al volledig arbeidsongeschikt was. In hoger beroep bestrijdt appellant het oordeel van de rechtbank dat de medische en arbeidskundige gegevens voldoende steun bieden voor een bij hem vanaf de aanvang van zijn verzekering op 1 december 2006 reeds bestaande volledige arbeidsongeschiktheid.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 28 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2844, al heeft geoordeeld heeft de door de Raad gevormde rechtspraak met betrekking tot artikel 30 lid 1 WAO, welke bepaling vergelijkbaar is met de tekst van artikel 46 lid 2 Wet WIA, zijn gelding behouden. Volgens vaste rechtspraak is voor de toepassing van artikel 30 lid 1, aanhef en onder a, van de WAO, vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Verder wordt volgens vaste rechtspraak het begrip algehele arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend bepaald door het medisch oordeel. Indien een verzekerde ondanks ziekte of gebreken arbeid heeft verricht, moeten mede in aanmerking worden genomen factoren als de aard van de arbeid, de wijze waarop die arbeid werd verricht en het tijdvak gedurende hetwelk die arbeid werd verricht. Zie onder andere de uitspraken van de Raad van 17 mei 2006 en 11 mei 2007, resp. ECLI:NL:CRVB:2006:AX4595 en ECLI:NL:CRVB:2007:BA4844.

De vraag of de omstandigheden van het voorliggende geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering kan de Raad bij gebreke van voldoende zorgvuldig onderzoek door UWV thans nog niet beantwoorden. De Raad heeft in de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen onvoldoende onderbouwing aangetroffen voor een zo ver strekkende conclusie als die waarop het standpunt van UWV is gebaseerd, te weten dat appellant bij aanvang van zijn verzekering ingevolge de Wet WIA al volledig arbeidsongeschikt was, waaronder begrepen voor WSW-arbeid. Uit die rapporten valt niet op te maken dat een volledig inzicht heeft bestaan in de werkzaamheden die appellant in WSW-verband heeft verricht.

Mede gelet op de rechtspraak met betrekking tot het belang van informatie over de wijze waarop een dienstverband is vervuld, zal preciezer dan tot op heden is geschied moeten worden nagegaan of appellant zodanig heeft ondergepresteerd dat van een reële arbeidsprestatie zoals deze verwacht mag worden van een verzekerde met een indicatie voor WSW-arbeid als die van appellant, geen sprake is geweest. De omvang van het ziekteverzuim behoeft geen doorslaggevende rol te spelen bij de vraag of van zodanig onderpresteren sprake is, maar moet binnen de context van alle voor de beantwoording van die vraag relevante factoren worden gewogen. Daarnaast zal UWV alsnog met behulp van het CBBS moeten nagaan of voor appellant functies zijn te selecteren die hij met zijn beperkingen als neergelegd in de door verzekeringsarts Dienske opgestelde FML kan vervullen. De enkele omstandigheid dat appellant naar het oordeel van de arbeidsdeskundige Uittenbogaard niet geschikt is te achten voor WSW-arbeid rechtvaardigt, anders dan deze arbeidsdeskundige heeft aangenomen, niet dat een dergelijk onderzoek achterwege kan blijven.

De Raad oordeelt dat UWV zijn in artikel 3:2 Awb neergelegde onderzoeksplicht onvoldoende is nagekomen, als gevolg waarvan sprake is van een gebrek in de motivering van het bestreden besluit. UWV wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.