Rechtspraak
Appellante werkt als productiemedewerkster. Zij meldt zich op 14 februari 2009 wegens psychische klachten ziek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt het standpunt in dat de maatgevende arbeid wordt gevormd door de per 12 februari 2011 geduide functies (in het kader van de Wet WIA-beoordeling) en dat appellante voor een van deze functies, namelijk de functie van inpakker, geschikt is. Het bezwaar en beroep van appellante worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In een rapport van 3 december 2015 is een door de Raad benoemde deskundige tot de conclusie gekomen dat het niet waarschijnlijk lijkt dat appellante, gezien de daarvoor al jaren bestaande stabiele matige situatie van psychische en lichamelijke klachten, haar zeer geringe belastbaarheid en het sneller terugvallen in depressieve klachten, op 20 september 2012 in staat was tot het verrichten van werkzaamheden verbonden aan de functie van inpakker. Uit het onderzoek en de medische gegevens lijkt het de deskundige waarschijnlijk dat appellante alleen in staat is tot het verrichten van enkele dagdelen therapeutisch werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het door de deskundige verrichte onderzoek de conclusies niet kan dragen. In een aanvullend rapport heeft de deskundige gemotiveerd uiteengezet waarom het aannemelijk is dat appellante moeilijk meer zal kunnen volhouden dan enkele dagdelen werken. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is voldoende gemotiveerd. Het lijkt niet waarschijnlijk dat appellante in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de functie van inpakker. Het bestreden besluit is niet gebaseerd op een juiste medische grondslag en het hoger beroep slaagt.