Naar boven ↑

Rechtspraak

De beperkte mogelijkheid om de WW-uitkering te exporteren is door de gemeenschapswetgever voorzien, waardoor het recht op vrij verkeer van werknemers niet op ongeoorloofde wijze is beperkt.

UWV brengt appellante met ingang van 1 augustus 2013 in aanmerking voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante verzoekt UWV op 6 november 2013 om toestemming om met ingang van 20 november 2013, terwijl zij in België verbleef, werk te zoeken met behoud van haar WW-uitkering. UWV staat appellant bij besluit van 27 november 2013 toe om gedurende de periode van 20 november 2013 tot en met 19 februari 2014 in België met behoud van WW-uitkering naar werk te zoeken. Op 11 december 2013 neemt appellante telefonisch contact op met UWV en meldt dat zij pas op 9 december 2013 naar België is vertrokken. Volgens de contacthistorie van UWV verzoekt zij op dat moment de export van haar uitkering ook per die datum in te laten gaan. UWV wijzigt de periode in 9 december 2013 tot en met 8 maart 2014. Appellante stelt bezwaar in tegen het besluit van 27 november 2013. Zij stelt dat zij pas op 30 december 2013 naar België is verhuisd, zodat de export van haar WW-uitkering ook pas per die datum moet ingaan. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. In hoger beroep voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het feit dat zij op 17 december 2013 UWV heeft meegedeeld dat zij is verhuisd. De beperkte mogelijkheid om in het buitenland werk te zoeken met behoud van WW-uitkering staat volgens haar aan het migreren van burgers binnen de gemeenschap in de weg, althans doet het migreren belemmeren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Vraag is of UWV zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan uit mag worden gegaan dat appellante zich op 9 december 2013 naar België heeft begeven om aldaar werk te zoeken en geen aanleiding heeft gezien om uit te gaan van een latere datum. Voorop moet worden gesteld dat de verklaringen van appellante op welk moment zij naar België is verhuisd uiteenlopen. Daarbij heeft zij haar toekomstige adres gemeld. Dit adres komt overeen met de door appellante op 13 en 18 november 2013 ingevulde wijzigingsformulieren en de arbeidsovereenkomst, waarin is vermeld dat zij met ingang van 17 november 2013 zal starten met haar werkzaamheden bij werkgever X. Op 11 december 2013 zou appellante – volgens het telefoonrapport –hebben vermeld dat zij op 9 december 2013 naar België is verhuisd en zou zij UWV hebben verzocht de exportperiode daarop aan te passen. Appellante heeft in beroep weliswaar gesteld dat zij slechts zou hebben gezegd dat op die datum de akte van levering had moeten worden ondertekend, maar met de rechtbank wordt dit niet aannemelijk geacht. Appellante heeft immers op het door haar op 17 december 2013 ingevulde wijzigingsformulier gemeld dat zij is verhuisd naar adres 2. Dit adres komt overeen met het adres dat is vermeld op het U3-formulier, dat op 2 december 2013 door de Belgische autoriteiten is getekend. Gelet op het vorenstaande is voldoende aannemelijk dat appellante zich in ieder geval op of voor 9 december 2013 naar België heeft begeven om aldaar werk te gaan zoeken.

Appellantes stelling dat de beperkte mogelijkheid om in het buitenland werk te zoeken met behoud van WW-uitkering in de weg staat aan het migreren van burgers binnen de gemeenschap, moet worden gezien als een beroep op een recht op vrij verkeer van werknemers, neergelegd in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Ter regeling van het vrij verkeer voor werknemers op het gebied van de sociale zekerheid is op grond van artikel 48 VWEU Verordening 883/2004/EG vastgesteld. Op grond van artikel 7 van Verordening 883/2004/EG kunnen – tenzij de verordening anders bepaalt – de uitkeringen verschuldigd op grond van de wetgeving van één of meer lidstaten of op grond van deze verordening, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende of de leden van zijn gezin in een andere lidstaat wonen dan die waar zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is. In artikel 63 van Verordening 883/2004/EG is bepaald dat voor de toepassing van hoofdstuk ‘Werkloosheidsuitkeringen’ artikel 7 slechts geldt in de gevallen bedoeld in de artikelen 64 en 65 en binnen de daarin vermelde limieten. De beperkte mogelijkheid om de WW-uitkering te exporteren is dus door de gemeenschapswetgever voorzien. Daarmee is het recht op vrij verkeer van werknemers niet op ongeoorloofde wijze beperkt (vergelijk HvJ EG 18 juli 2006, C-406/04 (De Cuyper)).