Rechtspraak
Appellant woont in Nederland, heeft de Nederlandse nationaliteit en ontvangt sinds 2 mei 2011 een WW-uitkering. Op 19 juli 2012 heeft hij UWV verzocht om met behoud van zijn WW-uitkering drie maanden werk te mogen zoeken in Zwitserland (export van WW-uitkering). Dit verzoek wijst UWV bij besluit van 8 augustus 2012 toe voor de periode van 1 september 2012 tot en met 30 november 2012. Bij e-mail van 19 november 2012 verzoekt appellant UWV om de export van zijn WW-uitkering met drie maanden te verlengen. Hierbij doet appellant een beroep op Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004). Bij besluit van 21 november 2012 heeft UWV dit verzoek afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar verklaart UWV bij beslissing op bezwaar van 16 januari 2013 ongegrond, met als reden dat Vo 883/2004 weliswaar de mogelijkheid biedt om de export van een WW-uitkering met drie maanden te verlengen, maar dat UWV van deze mogelijkheid geen gebruikmaakt.
Bij de aangevallen uitspraak verklaart de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank staat het UWV vrij, gegeven het discretionaire karakter van de bevoegdheid genoemd in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004, om bij de invulling van deze bevoegdheid tot verlenging van de exportuitkering met drie maanden aan te sluiten bij de nationale regels. Doel van de nationale werkloosheidsregelingen is zo snel mogelijk werk te krijgen in het land dat de uitkering verstrekt. Appellant heeft dus geen vanzelfsprekend recht op verlenging van zijn exportuitkering. Wel diende UWV alle relevante belangen bij het besluit af te wegen. Hieraan heeft UWV voldaan, nu in het bestreden besluit niet meer is volstaan met de (enkele) mededeling dat de exportuitkering nooit wordt verlengd.
In hoger beroep stelt appellant dat vele Europeanen recht hebben op verlenging van hun exportuitkering en dat volgens hem iedere EU-burger daar recht op heeft. Dat hij als Nederlander geen gebruik zou kunnen maken van deze mogelijkheid vindt appellant oneerlijk en discriminerend. UWV houdt voet bij stuk. Volgens UWV is het aan de lidstaat zelf om invulling te geven aan de in artikel 64, eerste lid, onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid om de export van de WW-uitkering te verlengen. Voor Nederland heeft de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid door middel van een aanwijzing aan UWV in een brief van 27 januari 2011 besloten geen invulling te geven aan deze bevoegdheid. Er zijn evenwel situaties denkbaar zijn waarin hij, als bestuursorgaan, gegeven de omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet tot weigering van exportverlenging kan besluiten. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Aan de orde is de vraag of UWV terecht geen gebruik heeft gemaakt van de hem in de tweede volzin van artikel 64, eerste lid, onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid om de export van de WW-uitkering van appellant na drie maanden te verlengen. Uit rechtspraak volgt dat verschillen in aanspraken tussen uitkeringen waarin de verschillende lidstaten voorzien in beginsel nog geen strijd met het vrij verkeer van werknemers met zich mee brengt, aangezien dit voortvloeit uit het ontbreken van harmonisatie van het recht van de Unie op dit gebied (vergelijk HvJ EU 14 oktober 2010, C‑345/09 (Van Delft e.a.), ECLI:EU:C:2010:610, punt 106). Tegen deze achtergrond kan evenmin worden gesproken van discriminatie als er verschil bestaat tussen de uitkeringen waarin de verschillende lidstaten voorzien. Van gelijke gevallen is dan immers geen sprake. De gronden hierover treffen dan ook geen doel.
De in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid om de export van de WW-uitkering met drie maanden te verlengen, is een begrip met een communautaire inhoud. Aan de orde is de vraag of en zo ja, hoe (de bevoegde instanties in) de lidstaten deze bevoegdheid moeten toepassen. Bij de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.
Op grond van artikel 63 van Vo 883/2004 staat het de lidstaten vrij het recht op een WW-uitkering afhankelijk te maken van een woonplaatsvereiste (zoals het geval in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW). Maar in artikel 63 van Vo 883/2004 is ook bepaald dat artikel 7 van Vo 883/2004 (het verbod op een woonplaatsvereiste) wel geldt in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 64 en 65 van Vo 883/2004 en binnen de daarin vermelde limieten. De werking van artikel 7 van Vo 883/2004 speelt dus een rol bij de uitleg en de invulling van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid om de export van een WW-uitkering met drie maanden te verlengen. Verder volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat, ook als een nationale regeling overeenkomstig een handeling van afgeleid recht, hier Vo 883/2004, is toegepast, dit nog niet noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de toepassing van deze regeling niet aan de bepalingen van het VWEU mag worden getoetst (zie in die zin arrest Von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 66). Bij deze toepassing moet in beginsel het gemeenschapsrecht worden geëerbiedigd en in het bijzonder de bepalingen betreffende het vrij verkeer van personen en werknemers (zie de arresten De Cuyper, punt 39 en 40, en Petersen, punt 42, reeds aangehaald).
Tegen deze achtergrond speelt allereerst de vraag of het de lidstaten vrij staat geheel af te zien van de toepassing van de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid om de export van de WW-uitkering met drie maanden te verlengen, gegeven de communautaire inhoud van deze bevoegdheid en het discretionaire karakter van een bevoegdheid in het algemeen. Een bevestigend antwoord op deze vraag ligt niet zonder meer voor de hand, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beginsel van loyale samenwerking om doel en strekking van Vo 883/2004 te verwezenlijken alsmede het vrij verkeer van personen en werknemers binnen de Unie, welk beginsel niet alleen geldt voor de lidstaten maar ook voor nationale uitvoeringsorganen van de lidstaten, zoals UWV, die het Europese recht toepassen.
Indien het lidstaten niet vrij staat af te zien van de bevoegdheid om de export van de WW-uitkering te verlengen, dan is het de vraag of een lidstaat in beginsel kan weigeren de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid, om de export van de WW-uitkering met drie maanden te verlengen, toe te passen (“nee, tenzij”). Kan worden volstaan met enkel toepassing geven aan genoemde bevoegdheid in concrete gevallen als sprake is van “bijzondere omstandigheden”? Worden de vragen met nee beantwoord, dan rijst de vraag hoe lidstaten deze bevoegdheid wel dienen toe te passen: welke randvoorwaarden gelden hierbij?
De Centrale Raad van Beroep verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU uitspraak te doen over de volgende vragen:
- Mag de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid, gelet op de artikelen 63 en 7 van Vo 883/2004, doel en strekking van Vo 883/2004 en het vrij verkeer van personen en werknemers, aldus worden toegepast dat een verzoek om verlenging van de export van een werkloosheidsuitkering in beginsel wordt geweigerd, tenzij naar het oordeel van UWV gegeven de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, bijvoorbeeld in het geval dat er een concreet en aantoonbaar uitzicht is op werk, in redelijkheid niet tot weigering van exportverlenging kan worden besloten? Zo nee,
- Hoe dienen lidstaten de in artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 883/2004 gegeven bevoegdheid wel toe te passen?