Rechtspraak
Appellant 1 en appellant 2 ontvangen sinds 14 maart 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Met ingang van 1 mei 2014 eindigt het dienstverband van appellant 2 met zijn werkgever met wederzijds goedvinden. In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer opgenomen dat appellant 2 een ontslagvergoeding van € 5.000 bruto ontvangt. Met ingang van 1 mei 2014 ontvangt appellant 2 een WW-uitkering voor de duur van 26 maanden. Appellanten leveren een kopie van de vaststellingsovereenkomst in bij het college van B&W van Den Haag (hierna: het college), alsmede een bankafschrift waarop te zien is dat de werkgever een nettobedrag van € 2.890,68 aan appellant 2 heeft uitbetaald. Bij besluit van 2 maart 2015 herziet het college (onder meer) de bijstand van appellanten over de periode van 1 mei 2014 tot en met 28 februari 2015. Hieraan legt het college ten grondslag dat appellant 2 een ontslagvergoeding van € 5.000 toekomt en dat dit moet worden aangemerkt als inkomen dat is toe te rekenen aan de periode waarover appellant 2 een WW-uitkering ontvangt. Het college heeft berekend dat vanaf mei 2014 maandelijks een bedrag van € 192,31 (€ 5.000 verdeeld over 26 maanden WW) aan fictieve inkomsten op de bijstand in mindering moest worden gebracht. Het bezwaar van appellanten wordt ongegrond verklaard. De rechtbank verklaart het beroep eveneens ongegrond. Appellanten keren zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de betaling van de werkgever de ontslagvergoeding betrof. Zij hebben daartoe gewezen op de omschrijving op het bankafschrift ‘salaris mei 2014’. Zij stellen dat de werkgever geen ontslagvergoeding heeft uitbetaald.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Voornoemde grond van appellanten slaagt niet. Het dienstverband van appellant 2 is met ingang van 1 mei 2014 beëindigd, zodat van een salarisbetaling over de maand mei 2014 geen sprake kan zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de betaling van € 2.890,68 van de voormalig werkgever van appellant 2 moet worden geacht te strekken ter uitvoering van vaststellingsovereenkomst.
Appellanten hebben subsidiair aangevoerd dat de door appellant 2 ontvangen ontslagvergoeding tot zijn vermogen moet worden gerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9495) dient een vergoeding als hier aan de orde te worden aangemerkt als inkomen bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Van dat laatste is in dit geval geen sprake. Het college heeft de betaling van de werkgever op 23 mei 2014 op goede grond aangemerkt als een ontslagvergoeding waarmee bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening moet worden gehouden.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kon het college aan het bestreden besluit geen schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag leggen. Het college heeft de bijstand over de periode van 1 mei 2014 tot en met 28 februari 2015 namelijk herzien en teruggevorderd op grond van een berekening van de bijstand die is gebaseerd op de bruto-ontslagvergoeding van € 5.000. Niet in geschil is dat dit bedrag blijkt uit de vaststellingsovereenkomst die appellanten direct hebben overgelegd. Appellanten kan dan ook geen schending van de inlichtingenverplichting worden tegengeworpen. Weliswaar heeft het college terecht gesteld dat het op de weg van appellanten lag om de (netto-)uitbetaling van de ontslagvergoeding onverwijld en uit eigen beweging bij het college te melden, maar dat doet aan het voorgaande niet af, nu de netto-ontslagvergoeding niet bij het bestreden besluit is betrokken.
Geconcludeerd wordt dat het college bevoegd was de bijstand te herzien. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.