Rechtspraak
Met ingang van 7 december 2012 werkt appellant via zijn ex-werkgever op uitzendbasis als monteur hekwerken. Op 28 januari 2013 valt hij voor deze werkzaamheden uit wegens psychische klachten. Het dienstverband eindigt per februari 2013 en wordt een ZW-uitkering toegekend, die vervolgens per 1 juli 2013 wordt beƫindigd. Vanwege rugklachten na een auto-ongeval meldt appellant zich op 29 juli 2013 opnieuw ziek en wordt opnieuw een ZW-uitkering toegekend. Tijdens het spreekuur van 16 december 2013 acht een arts appellant geschikt voor zijn laatste arbeid en de ZW-uitkering wordt beƫindigd. Het bezwaar en beroep van appellant worden ongegrond verklaard. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt over zijn psychische klachten en hij beroept zich met name op de overgelegde informatie van een GZ-psycholoog. Volgens appellant is ten onrechte gesteld dat zijn behandeling bij Tactus verslavingszorg met succes is afgesloten. De behandeling is voortgezet door Amethist Verslavingszorg. Appellant is van oordeel dat uit de overgelegde informatie van de behandelend sector de conclusie is gerechtvaardigd dat de medische beoordeling van UWV niet juist is en dat hij op en na de datum in geding nog onverminderd arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de artsen van UWV over de medische situatie van appellant op de datum in geding (te weten 16 december 2013). Door appellant is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op die datum sprake was van een situatie waarin hij zijn arbeid niet kon verrichten als gevolg van psychische klachten. De overgelegde informatie biedt daarvoor geen grond. De GZ-psycholoog stelt dat bij appellant sprake is van alcoholafhankelijkheid en dat er mogelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Uit de overgelegde informatie blijkt dat appellant op 28 oktober 2014 voor het eerst een intake heeft gehad bij Amethist Verslavingszorg en dat op 27 januari 2015 een adviesgesprek met de GZ-psycholoog plaatsvond, waarna in februari 2015 opname in de verslavingskliniek volgde. Deze gegevens dateren echter ruim na de datum in geding (16 december 2013) en geven geen ander beeld van de situatie op die datum. De Raad wijst er nog op dat een verslaving aan verdovende middelen op zich niet als een ziekte of gebrek wordt aangemerkt. Indien echter uit die verslaving gebreken voortvloeien, dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat wel sprake is van een ziekte of gebrek (zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0518). Ten tijde van de in geding zijnde datum is niet gebleken van een opname of behandeling voor zijn alcoholverslaving, dan wel uit zijn verslaving voortvloeiende gebreken. De rechtbank concludeert terecht dat UWV op goede gronden heeft beslist dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.