Rechtspraak
Appellant ontvangt met ingang van 27 januari 2011 een WW-uitkering. UWV verleent appellant toestemming om met behoud van uitkering gedurende de periode van 14 maart 2011 tot en met 4 september 2011 werkzaamheden in de uitoefening van een eigen bedrijf te verrichten (startperiode). UWV bepaalt dat op de uitkering 70% van zijn inkomsten als zelfstandige in mindering zal worden gebracht en dat de uitkering over deze periode bij wijze van voorschot betaalbaar wordt gesteld. UWV beëindigt het recht van appellant op een WW-uitkering met ingang van 5 september 2011, omdat hij volledig werkzaam is als zelfstandige. Bij besluit van 25 februari 2014 stelt UWV vast dat appellant, in verband met zijn inkomsten als zelfstandige, een te hoog voorschot heeft ontvangen en UWV vordert een bedrag van € 16.145,97 bruto van appellant terug. Het bezwaar van appellant tegen voornoemd besluit verklaart UWV ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant voert in hoger beroep (opnieuw) aan dat UWV hem onvoldoende heeft geïnformeerd dat de terugbetaling diende te geschieden over het bruto- en niet over het nettobedrag. Appellant voert voorts aan dat het zijn werkcoach al aan het einde van de startperiode duidelijk was dat appellant geen recht op een WW-uitkering zou hebben in de periode waarover hem toestemming was verleend om met behoud van WW-uitkering als zelfstandige te starten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het namens appellant in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven.
Daaraan wordt toegevoegd dat er geen aanwijzingen zijn dat de werkcoach van appellant destijds op de hoogte was van het feit dat appellant zodanige inkomsten genereerde dat appellant over de startperiode geen aanspraak op een WW-uitkering zou hebben. Uit de door UWV op verzoek van de Raad toegezonden stukken blijkt niet dat appellant zijn werkcoach, zoals hij stelt, telkens heeft geïnformeerd dat hij de in zijn ondernemingsplan opgenomen prognose daadwerkelijk realiseerde. Uit het bericht van appellant aan zijn werkcoach van 29 april 2011 blijkt juist dat appellant zijn werkcoach heeft bericht dat hij op dat moment wat kleine projecten had, waarmee hij zich aardig bezig kon houden. De ene week had hij het druk en de andere week was hij druk aan het oefenen met het tekenprogramma en andere zaken. Het standpunt van appellant strookt ook niet met hetgeen hij in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld, namelijk dat hij destijds niet in de gelegenheid was de voorschotten te verlagen, omdat hij de eerste twee maanden geen inkomsten uit werk had en dat het ook langere tijd heeft geduurd voordat hij garantie op inkomen had.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.