Rechtspraak
Appellant is vanaf 1 oktober 2008 als schoonmaakmedewerker in dienst van werkgever. Werkgever zegt de arbeidsovereenkomst op enig moment op met ingang van 14 december 2013. Op 9 januari 2014 vraag appellant een WW-uitkering aan. Bij besluit van 29 januari 2014 brengt UWV werknemer niet in aanmerking voor een WW-uitkering, omdat hij in de 36 weken voor het intreden van zijn werkloosheid niet in ten minste 26 weken heeft gewerkt. UWV verklaart het bezwaar van appellant tegen voornoemd besluit ongegrond. De rechtbank verklaart het beroep van appellant eveneens ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoet aan de wekeneis en UWV heeft voorts mogen afzien van het horen van appellant in bezwaar. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant van 1 juli tot en met 15 december 2013 als gevolg van ziekte geen arbeid heeft kunnen verrichten, in welk geval een verdere voorverlenging van de referteperiode zou moeten plaatsvinden. Ook staat de vraag centraal of UWV heeft mogen afzien van het horen van appellant in de bezwaarfase.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat niet kan worden geobjectiveerd dat in de periode van 1 juli 2013 tot 16 december 2013 sprake is geweest van zodanig ernstige psychische problematiek dat appellant niet in staat was zijn werk als schoonmaakmedewerker te verrichten. De door appellant overgelegde stukken van de huisarts en de bedrijfsartsen bevatten geen concrete aanknopingspunten voor een ander oordeel. Naar appellant heeft bevestigd is hij gedurende de periode van 1 juli 2013 tot 16 december 2013 geheel buiten beeld geweest van de behandelend sector en de hulpverlening, zodat er ook geen mogelijkheden zijn elders aanvullende informatie te verkrijgen die dateert uit die periode. Het oordeel van de rechtbank dat UWV appellant terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WW-uitkering wordt onderschreven.
In beginsel dient een belanghebbende in bezwaar te worden gehoord (artikel 7:2 lid 1 Awb). UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en daarom onder verwijzing naar artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb afgezien van een hoorzitting. In eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld recentelijk de uitspraak van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1225) heeft de Raad overwogen dat de uitzonderingen op de hoorplicht restrictief dienen te worden opgevat, hetgeen betekent dat eerst van een kennelijk ongegrond bezwaar gesproken kan worden wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is. Daarvan is hier geen sprake. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb genomen. Evenwel bestaat aanleiding om dit gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren aangezien aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld. UWV heeft appellant hangende het beroep alsnog gehoord. Appellant heeft daarnaast in beroep en in hoger beroep alsnog de gelegenheid gehad om mondeling zijn standpunten te verwoorden en stukken over te leggen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.