Rechtspraak
Appellant werkte als begeleider/maatschappelijk werker. Met ingang van 1 oktober 2012 wordt hij werkloos en ontvangt hij een WW-uitkering. Vanuit de WW meldt hij zich ziek. UWV trekt de WW-uitkering in met ingang van 1 maart 2013 en kent appellant een ZW-uitkering toe. UWV beëindigt de ZW-uitkering met ingang van 4 juni 2013, omdat appellant weer in staat zou zijn de maatgevende arbeid te verrichten. Hangende het door appellant ingestelde bezwaar besluit UWV appellant weer in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering. Bij besluit van 25 juni 2013 verklaart UWV het bezwaar tegen het ZW-besluit gegrond en besluit de ZW-uitkering voort te zetten. Over de periode van 4 juni 2013 tot en met 6 oktober 2013 heeft UWV appellant zowel een WW- als een ZW-uitkering uitbetaald. UWV trekt de WW-uitkering van appellant in en vordert de te veel betaalde WW-uitkering tot een bedrag van 9.455,53 euro terug. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat UWV op grond van de artikel 22a en 36 WW verplicht is tot intrekking en terugvordering over te gaan als een uitkering onterecht is verstrekt. Bij dringende redenen kan UWV hiervan afzien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BX3722) kunnen die redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor de betrokkene optreden. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat een dringende reden als hiervoor bedoeld was gelegen in het feit dat UWV een fout heeft gemaakt, geldt dat een dringende reden alleen kan zijn gelegen in de gevolgen van de intrekking en terugvordering en niet in de oorzaak daarvan. De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. De vraag of sprake was van dringende redenen om van intrekking en/of terugvordering af te zien wordt met de rechtbank ontkennend beantwoord. De door appellant geschetste problemen met de studiefinanciering van zijn dochter, de zorgtoeslag en de heffingskorting voor een alleenstaande ouder zijn niet het gevolg van de intrekking en terugvordering, maar van het betalen van zowel een ZW- als een WW-uitkering, waardoor het inkomen van appellant in 2013 hoger was dan dit had moeten zijn. Het hoger beroep slaagt niet.