Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV is er niet in is geslaagd een medische onderbouwing te vinden voor haar standpunt ten aanzien van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer. Opname in een verslavingskliniek alleen is onvoldoende voor het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Werknemer werkt van 1 mei 2013 tot en 29 mei 2013 bij betrokkene. Betrokkene beëindigt het dienstverband tijdens de proeftijd wegens het niet verkrijgen van een Verklaring omtrent gedrag. De werknemer ontvangt aansluitend een WW-uitkering. Vanuit die situatie meldt hij zich ziek met ingang van 24 september 2013.

De verzekeringsarts verschuift de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 24 september 2013 naar 19 juni 2013, omdat werknemer vanaf 19 juni 2013 via deelname aan het programma X drie maanden voor behandeling van zijn drugsverslaving is opgenomen geweest in een privékliniek in Engeland. Bij besluit van 11 februari 2014 wordt werknemer, in verband met de nawerking van zijn inmiddels beëindigde verzekering, per 19 juni 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Betrokkene gaat in beroep tegen het besluit. De rechtbank doet op 17 februari 2015 een tussenuitspraak en overweegt onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 8 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1551, dat het enkele feit dat werknemer in de periode van 19 juni 2013 tot en met 11 september 2013 is opgenomen geweest in een verslavingskliniek onvoldoende is voor het oordeel dat werknemer per 19 juni 2013 arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW. Appellant had moeten onderzoeken of uit de verslaving gebreken voortvloeiden dan wel dat er een noodzaak was tot klinische opname. Evenmin is navraag gedaan of werknemer voorafgaand aan de opname onderzocht is door een van de deskundigen van de verslavingskliniek en, indien dat het geval was, wat het resultaat daarvan was. Ook is hierover geen informatie opgevraagd bij de behandelend arts van werknemer. De rechtbank stelt UWV, met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de gelegenheid het gebrek te (laten) herstellen. UWV laat na binnen de daartoe gegeven termijn een inhoudelijke reactie te geven. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt UWV op binnen zes weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar. UWV verklaart bij besluit van 11 juni 2015 het bezwaar van betrokkene wederom ongegrond. De rechtbank verklaart het ingestelde beroep gegrond. De rechtbank overweegt hiertoe dat feitelijk het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de arbeidsongeschiktheid van werknemer nog steeds alleen gebaseerd is op diens opname in een verslavingskliniek. Bij haar eerdere uitspraken heeft de rechtbank al – onherroepelijk – geoordeeld dat die opname alleen niet genoeg is voor dat standpunt. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat werknemer in juni 2013 arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Appellant heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat de noodzaak tot klinische opname dient te worden onderzocht. Benadrukt wordt dat de specifieke feiten en omstandigheden van dit geval met zich brengen dat een dergelijk onderzoek niet achterwege had mogen worden gelaten, voordat werd overgegaan tot het verschuiven van de eerste ziektedag van 24 september 2013 naar 19 juni 2013. In dit kader wordt erop gewezen dat tussen partijen niet in geschil is dat werknemer bij uitdiensttreding bij betrokkene niet arbeidsongeschikt was. Voorts blijkt uit het dossier dat werknemer al geruime tijd verslaafd was aan verdovende middelen en dat hij, ondanks deze verslaving, in staat is geweest om in zowel kortere als langere dienstverbanden arbeid te verrichten. Uit informatie van de gemeente – werknemer ontving na uitdiensttreding bij betrokkene een WW-uitkering aangevuld met een WWB-uitkering – blijkt vervolgens dat werknemer heeft aangegeven dat hij minimaal 26 weken ‘clean’ was. Hij was niet ziek maar beschikbaar voor werk, hetgeen bevestigd wordt door het feit dat hij op 19 juni 2013 stond aangemeld voor een sollicitatiegesprek bij een cateringbedrijf in Amsterdam. Voorts wordt van belang geacht dat de opname in de verslavingskliniek in Engeland niet heeft plaatsgevonden op basis van een indicatiestelling of verwijzing door een behandelend arts maar is ingegeven door deelname aan het programma X. De kosten hiervan zijn niet vergoed door de ziektekostenverzekering van werknemer. Van de periode die de werknemer in de kliniek in behandeling is geweest zijn geen (medische) gegevens in het dossier aanwezig. Evenmin is er informatie aanwezig op basis van welke (medische) gronden aanleiding bestond om tot opname in de kliniek over te gaan.

De Raad oordeelt dat appellant niet heeft voldaan aan de door de rechtbank in haar uitspraak van 13 april 2015 gegeven opdracht. Dat appellant, ondanks pogingen daartoe, er niet in is geslaagd een medische onderbouwing te vinden voor haar standpunt ten aanzien van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werknemer, mag niet voor rekening en risico van betrokkene worden gebracht. Het hoger beroep van UWV slaagt niet.