Rechtspraak
UWV verleent appellant toestemming om met behoud van WW-uitkering van start te gaan met een eigen bedrijf. De zogenoemde startersperiode is daarbij gesteld op de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 augustus 2010. In het besluit is vermeld dat op de uitkering 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering wordt gebracht. Omdat de hoogte van deze inkomsten pas na de startperiode bekend zal zijn wordt de uitkering over de startperiode als voorschot betaald. Na de startperiode volgt nadere informatie over de verrekening van de inkomsten. Nadat UWV kennis heeft genomen van de definitieve belastingaanslagen van appellant over de jaren 2010 en 2011 stelt UWV op basis daarvan de definitieve WW-uitkering over de periode van 1 februari 2010 tot 1 augustus 2010 vast. UWV zet de definitieve uitkering af tegen het eerder verstrekte voorschot en vordert het verschil van € 7.264,40 van appellant terug. Appellant maakt bezwaar tegen de terugvordering en stelt dat hij het besluit tot vaststelling van de startersperiode nooit heeft ontvangen en dat hem overigens niet is verteld dat hij zijn WW-uitkering als voorschot ontving. Zijn werkcoach heeft hem daar volgens appellant niet op gewezen en hij heeft ook geen voorlichtingsmateriaal over de startersregeling ontvangen. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Allereerst moet worden beoordeeld welke betekenis moet worden gehecht aan de stelling van appellant dat hij het besluit van 8 februari 2010 niet heeft ontvangen. Er bestaat een uitgebreide rechtspraak over de beoordeling van situaties waarin de betrokkene ontkent een besluit (tijdig) te hebben ontvangen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BC2860). In deze zaak gaat het echter niet om de beoordeling van de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep, maar om de vraag of appellant kon beschikken over bepaalde informatie, namelijk informatie over het regime van zijn uitkering. Appellants ontkenning het besluit van 8 februari 2010 te hebben ontvangen moet tegen die achtergrond worden beschouwd. Uit de stukken komt over de contacten tussen appellant en zijn werkcoach naar voren dat zij uitgebreid hebben gesproken over de eigen onderneming. Appellant heeft een verklaring arbeidsrelatie, heeft zich ingeschreven voor de Kamer van Koophandel en er lopen offertes voor een verzekering. Hij wordt aangemeld voor de MKB-avond. Uit een aantekening van de werkcoach van 26 januari 2010 blijkt dat toestemming is gegeven om per 1 februari 2010 als zelfstandige aan de slag te gaan. Na die tijd is contact geweest over de eerste opdrachten. Appellant kon op eenvoudige wijze nagaan wat er precies was besproken en afgesproken. Bij twijfel had hij contact op kunnen nemen met zijn werkcoach. De Raad concludeert dat ook los van de vraag of het besluit van 8 februari 2010 is ontvangen, duidelijk was dat feitelijk toepassing is gegeven aan de startersregeling. Appellant heeft ook in overeenstemming daarmee gehandeld door niet langer te solliciteren en zich geheel te richten op zijn werkzaamheden als zelfstandige. Bij twijfel had het op de weg van appellant gelegen zich nader te laten informeren via de werkcoach of de website van UWV. Niet valt in te zien waaraan appellant een in rechte te honoreren verwachting zou kunnen hebben ontlenen dat hij de door hem over de startersperiode ontvangen uitkering geheel zou mogen houden, ongeacht zijn inkomsten uit zijn werkzaamheden als zelfstandige.