Rechtspraak
In een tussenuitspraak overweegt de Centrale Raad van Beroep dat is komen vast te staan dat appellante vanuit haar dienstbetrekking diverse emolumenten heeft genoten, die als inkomen in natura kunnen worden aangemerkt. UWV dient te onderzoeken of en in hoeverre die emolumenten in aanmerking dienen te worden genomen bij de vaststelling van het maatmanloon. In een brief van 20 november 2014 beargumenteert UWV in dat kader dat het loon in natura geen deel uitmaakt van het maatmanloon. Appellante stelt in een brief van 18 december 2014 dat UWV het gebrek hiermee niet heeft hersteld en dat daarom niet voldaan is aan de in de tussenuitspraak aan UWV gegeven opdracht. Voorts verzoekt appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, gelet op de totale behandelingsduur (zeven jaren).
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Sb.) zoals dat luidde ten tijde in geding, wordt bij de vaststelling van het maatmaninkomen van een werknemer in aanmerking genomen het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv). Laatstgenoemd artikel verwijst in het eerste lid voor het loonbegrip naar de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB).
Door UWV is niet aangegeven op welke regelgeving het standpunt berust dat loon in natura in algemene zin is uitgesloten van het (maatman)loon. Artikel 13 van de Wet LB bepaalt dat niet in geld genoten loon wordt gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economisch verkeer kan worden toegekend en daarmee behoort loon in natura tot het loonbegrip. In de ten tijde van belang geldende Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zijn voor velerlei in natura genoten loonbestanddelen, waaronder maaltijden, woongenot en energie, forfaitaire bedragen opgenomen. UWV heeft daarom niet voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht om het gebrek te herstellen.
Het besluit van 30 september 2010 waarbij is gehandhaafd het besluit van 11 mei 2010 waarbij aan appellante met ingang van 9 juni 2010 een WIA-uitkering is geweigerd kan niet in stand blijven. UWV zal de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw moeten vaststellen, met inachtneming van het bovenstaande. Wat betreft de waardering van de loon in natura kan aangesloten worden bij de forfaitaire bedragen uit de belastingregelgeving en het rapport van 17 februari 2010 van de registerarbeidsdeskundige.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Er is aanleiding dit verzoek toe te wijzen. In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door UWV op 4 juni 2010 van het tegen het besluit van 11 mei 2010 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak bijna zeven jaar verstreken. Nu de totale behandelingsduur op grond van de geldende rechtspraak vier jaar mocht bedragen, is deze nu met twee jaar en tien maanden overschreden. Deze overschrijding is geheel aan de rechterlijke fase toe te rekenen. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een veroordeling van de Staat tot een schadevergoeding van € 3.000. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak wordt vernietigd.